Judith Sterenberg (2003)
Het herkennen en onthouden van representatieve en abstracte iconen in een interface
Master's thesis, Rijksuniversiteit Groningen.
[ Paper (PDF, 1469 kb) ]

Samenvatting

Lange tijd moesten we tekstueel communiceren met computerprogramma s. Tegenwoordig hebben we veelal te maken met grafische interfaces: iconen vervullen nu naast de tekstuele aanduidingen de communicatiefunctie. Iconen werden voor het eerst op grote en commerciële schaal gebruikt in het Xerox Star-computersysteem. De iconen die in het Star-systeem gebruikt werden, waren representatieve iconen. Representatieve iconen geven objecten of handelingen uit de echte wereld weer, zoals een gummetje die de functie wissen aanduidt of een prullenbak die de verwijdermogelijkheid representeert. Momenteel worden in interfaces ook abstracte en semi-abstracte iconen gebruikt. Abstracte iconen zijn samengesteld uit geometrische vormen of grafische symbolen. Een voorbeeld hiervan is het vraagteken, dat staat voor de helpfunctie. Iconen die zijn samengesteld uit zowel representatieve als abstracte pictogrammen worden semi-abstracte iconen genoemd.

Ik heb onderzocht in hoeverre er verschil is tussen het herkennen en onthouden van representatieve en abstracte iconen bij systeemtaken. De centrale onderzoeksvraag hiervoor is:

In hoeverre is het type icoon van invloed op het herkennen en op het onthouden van systeemtaken?
Deze vraag suggereert de volgende deelvragen met betrekking tot representatieve en abstracte iconen: Aan de hand van de conclusie uit een aantal onderzoeksartikelen (Blankenberger en Hahn 1991, p.367-369; Rogers 1986, p.586-603; McDougall, Curry en De Bruijn 1999, p.490-492; McDougall, Curry en De Bruijn 2001, p.63-79), heb ik twee hypotheses opgesteld. De conclusie uit deze onderzoeken is dat representatieve iconen sneller worden herkend dan abstracte iconen, maar dat als gebruikers eenmaal de betekenis van een abstract icoon weten, blijken ze deze goed te kunnen onthouden. De twee hypotheses die ik naar aanleiding van de artikelen heb opgesteld zijn:
  1. In de eerste meting zullen de opdrachten sneller worden uitgevoerd in de interface met de representatieve iconen dan in de interface met de abstracte iconen.
  2. In de tweede meting zullen de opdrachten sneller worden uitgevoerd in de interface met de representatieve iconen dan in de interface met de abstracte iconen, maar zal het tijdsverschil kleiner zijn dan bij de eerste meting.
Om de hypotheses te toetsen en de onderzoeksvraag te beantwoorden, heb ik een experiment uitgevoerd. Voor het experiment heb ik een programma gemaakt in Visual Basic met drie verschillende interfaces: de eerste interface heeft knoppen met representatieve iconen, de tweede interface heeft knoppen met abstracte iconen en de derde interface heeft knoppen met tekst en dient als controle-interface. De deelnemers aan het experiment hebben twee maal opdrachten in het programma uitgevoerd, met een tussenperiode van een week.

Uit het experiment bleek dat van alle drie de interfaces de abstracte interface zowel de grootste afname in tijd als de grootste afname van het aantal aangeklikte knoppen heeft bij de tweede meting ten opzichte van de eerste meting. Verder heeft de abstracte interface bij de tijdsduur een grote standaardafwijking, met name bij de eerste meting. Ook bij het aantal aangeklikte knoppen heeft de abstracte versie bij beide metingen een grote standaardafwijking.

Voor alle drie typen van interfaces is er sprake van een positieve samenhang tussen de tijdsduur en het aantal aangeklikte knoppen. De correlatie is het sterkste bij de abstracte interface, zowel bij de eerste als bij de tweede meting.

De articulatory distance is de afstand tussen een icoon en zijn betekenis. Een hoge score betekent dat het icoon in veel gevallen herkend is. De articulatory distance heeft bij de beide metingen van de tekstinterface vrijwel de perfecte score. De representatieve en de abstracte interface hebben een lagere score, maar de scores verbeteren zich wel bij de tweede meting ten opzichte van de eerste meting. Verder valt op dat de score van de abstracte versie bij beide metingen lager ligt dan de score van de representatieve versie.

De resultaten van het experiment bleken betrouwbaar genoeg om er conclusies uit te kunnen trekken en uit de tekstinterface kwam naar voren dat de opdrachten en het programma duidelijk waren.

De eerste onderzoeksvraag kan met Ja worden beantwoord, want de systeemtaken werden beter herkend bij de interface met representatieve iconen dan bij de interface met abstracte iconen. Ten eerste lag de gemiddelde tijdsduur lager bij de representatieve interface en ten tweede werden gemiddeld minder knoppen aangeklikt bij de representatieve versie.

De tweede onderzoeksvraag kan ook aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek worden beantwoord. Het tijdsverschil tussen de twee interfaces is bij de tweede meting gedaald met ruim 55% ten opzichte van de eerste meting. Ook is bij de tweede meting het verschil in het aantal knoppen gedaald met bijna 60%.

Wat betreft de hypotheses: mijn onderzoek verifieert de beide hypotheses. Bij de eerste meting werden de opdrachten inderdaad sneller uitgevoerd in de interface met representatieve iconen (hypothese 1). Dit was ook bij de tweede meting het geval, maar het tijdsverschil was veel kleiner (hypothese 2).