De vorming van een nationale regering

"Ieder mens, en elke groep mensen, heeft recht op zelfbestuur."

Thomas Jefferson, 1790

Door de met succes bekroonde opstand tegen Engeland veroverde het Amerikaanse volk zich een eigen plaats in de volkerengemeenschap en kreeg het de gelegenheid een nieuwe maatschappelijke orde tot stand te brengen, waaronder afkomst en privilegiŽn slechts een bescheiden rol speelden, doch het accent kwam te liggen op gelijke rechten voor allen. De revolutie, die het gevoel van saamhorigheid versterkt had, was geslaagd maar nu ging het erom te bewijzen, dat men werkelijk in staat was zijn pas verworven positie te behouden en zichzelf te regeren.

Het succes van de revolutie maakte het de Amerikanen mogelijk hun politieke idealen zoals deze in de Onafhankelijkheidsverklaring nader omschreven waren in hun wetten tot uitdrukking te brengen en door de uitvaardiging van grondwetten in de afzonderlijke staten tal van grieven te herstellen. James Madison, de vierde president van de Verenigde Staten, schreef hierover eens het volgende: "Niets heeft meer bewondering gewekt dan de wijze waarop in Amerika vrije regeringen tot stand gebracht zijn, want dit was de eerste maal dat men een vrij volk overleg heeft zien plegen over zijn regeringsvorm en dat men er getuige van is geweest hoe het uit zijn midden een aantal burgers, waarin het vertrouwen stelde, koos om namens het volk een besluit te nemen over de regeringsvorm en dit besluit uit te voeren".

Tegenwoordig beschouwen de Amerikanen hun grondwet als iets vanzelfsprekends. Men moet echter niet uit het oog verliezen dat het denkbeeld een grondwet op schrift te stellen aan een Amerikaans brein ontsproten is en dat de Amerikaanse grondwet de oudste uit de wereldgeschiedenis is. "In alle vrije staten is de grondwet de hoogste wet", schreef John Adams, de tweede president van de Verenigde Staten. Overal in Amerika werd door de bevolking rechtszekerheid geŽist. Reeds op 10 Mei 1776 nam het Congres een resolutie aan waarin de koloniŽn geadviseerd werd nieuwe regeringen te vormen en wel "zodanige als het best in staat geacht mogen worden het geluk en de veiligheid van de kiezers te waarborgen".

Sommige koloniŽn waren reeds vůůr dat tijdstip hiertoe overgegaan en nauwelijks een jaar na het proclameren van de onafhankelijkheid hadden alle staten op drie na een nieuwe grondwet aangenomen.

De opstelling van deze staatsstukken verschafte de voorstanders van democratie een prachtige gelegenheid herstel van hun grieven te krijgen en hun politieke idealen te verwezenlijken. Bijgevolg weerspiegelden de grondwetten van vrijwel alle staten beginselen waaraan democratische denkbeelden ten grondslag lagen hoewel in geen ervan volkomen met het verleden gebroken werd, daar de nieuwe staten voortbouwden op hun ervaringen uit de koloniale tijd, de oude Engelse tradities en de Franse politieke opvattingen. Feitelijk voltrok de eigenlijke revolutie zich pas bij het opstellen van de grondwetten van de verschillende staten. De opstellers van deze grondwetten streefden er natuurlijk in de eerste plaats naar het genot van die onvervreemdbare rechten te verzekeren waarvan de schending de directe aanleiding was geweest tot het conflict met Engeland. Elke grondwet begon derhalve met een "Bill of Rights" (een Verklaring van de Rechten van de Staatsburgers), en in de grondwet van Virginia die als voorbeeld voor alle andere diende, werden bovendien een aantal principiŽle punten opgesomd zoals de souvereiniteit van het volk, het periodiek aftreden van de regeringsautoriteiten en de fundamentele rechten en vrijheden van de mens. Tot deze rechten en vrijheden werden voorts geacht te behoren: vrijlating tegen matige borgstelling van in staat van beschuldiging gestelde doch nog niet veroordeelde personen, humane bestraffing van misdrijven, de vorming van een landweer i.p.v. een staand leger, snelle berechting volgens de wetten van het land, juryrechtspraak, vrijheid van drukpers en geweten, het recht van de meerderheid om wijzigingen in de regering aan te brengen of deze te hervormen en een uitdrukkelijk verbod van blanco arrestatiebevelen of volmachten voor het verrichten van huiszoeking. Enkele staten achtten dit nog niet voldoende en voegden hieraan de volgende punten toe: het recht van vrije meningsuiting, van vergadering, van petitie, het recht wapens te dragen, het recht op zekere waarborgen tegen onwettige arrestatie en gevangenhouding en het recht op onschendbaarheid van de woning en gelijke behandeling voor de wet. Bovendien werd in de grondwetten van alle staten aangedrongen op scheiding van de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht en werd van het standpunt uitgegaan dat geen van deze drie een dominerende positie mocht innemen maar dat zij elkaar in tegendeel zoveel mogelijk in evenwicht moesten houden.

Tijdens de overgang van de koloniale status naar volledige onafhankelijkheid en terwijl de dertien oorspronkelijke koloniŽn nog bezig waren zich aan te passen aan de nieuwe toestand, vormden zich in de onmetelijke gebieden in het Westen nieuwe nederzettingen. Aangetrokken door rijke jachtgronden en de vruchtbaarste bouwgrond die tot dusverre in Amerika aangetroffen was, trok een ononderbroken stroom pioniers naar het gebied ten Westen van de Appalachen. Tegen 1775 hadden zich langs de riviertjes tot in de verste uithoeken overal kolonisten gevestigd. Deze nieuwe nederzettingen welke door bergketens en afstanden van honderden kilometers practisch van de centra in het Oosten afgesneden waren, riepen eigen bestuurslichamen in het leven. Deze nederzettingen ontwikkelden zich voorspoedig; steeds meer kolonisten trokken uit het kustgebied om zich in de vruchtbare rivierdalen of de maagdelijke wouden te vestigen en zij drongen steeds dieper in de prairiŽn door. Omstreeks 1790 hadden zich in het gebied achter de Appalachen reeds meer dan 120.000 kolonisten gevestigd.

Toen zij eenmaal onafhankelijk geworden waren, moesten de Verenigde Staten een oplossing voor alle oude, nog steeds onopgeloste problemen zoeken, o.a. voor de problemen welke door de ontsluiting van het Westen veroorzaakt waren en welke verband hielden met de verdeling van de grond, de handel in bontvellen, het recht van vestiging, het bestuur van afhankelijke gebieden, en de Indianen. Reeds vůůr de Vrijheidsoorlog hadden tal van koloniŽn aanspraak gemaakt op stukken land ten Westen van de Appalachen en bet was herhaaldelijk voorgekomen dat meer dan ťťn kolonie op hetzelfde stuk aanspraak deed gelden. Het vooruitzicht dat deze staten zo'n rijke buit in de wacht zouden slepen, leek de staten die geen aanspraken op gebied in het Westen gemaakt hadden hoogst onbillijk. Maryland, dat het standpunt van deze laatste groep staten verdedigde, diende een resolutie in waarin verklaard werd dat het Westen als gemeenschappelijk bezit beschouwd moest worden en dat het door het Congres in vrije, onafhankelijke gebiedsdelen verdeeld moest worden. Dit denkbeeld werd niet bepaald enthousiast ontvangen doch niettemin effende New York in 1780 de weg voor een oplossing van het vraagstuk door van zijn aanspraken afstand te doen ten behoeve van de Verenigde Staten. Het voorbeeld van New York werd spoedig door de andere koloniŽn gevolgd en tegen het einde van de oorlog werd het duidelijk dat het Congres over het gebied ten Westen van het Allegheny-gebergte en ten Noorden van de Ohio, ja misschien zelfs over het gehele gebied ten Westen van het Allegheny-gebergte naar eigen goeddunken zou kunnen beschikken. De staten beschouwden derhalve deze gebieden als gemeenschappelijk bezit en in deze jaren van verwarring was dit het tastbaarste bewijs dat zij een eenheid vormden en het gaf bovendien inhoud aan de idee van nationale souvereiniteit. Het was echter een probleem dat onverwijld uit de wereld geholpen moest worden. De gelegenheid hiertoe werd geboden door de "Articles of Confederation" (Artikelen der Confederatie), een officiŽle overeenkomst welke reeds sedert 1781 een losse band tussen de koloniŽn gelegd had. Op grond van deze overeenkomst kregen de nieuwe gebieden in het Westen een zekere mate van zelfbestuur en werd de overgang van onbewoond gebied tot afzonderlijke staat vergemakkelijkt. In de "North West Ordinance of 1787" werd bepaald dat het Noord-Westen voorlopig als ťťn afzonderlijk district beschouwd zou worden, dat bestuurd werd door een gouverneur, die evenals de rechters door het Congres benoemd werd. Zodra in het gebied 5.000 mannelijke inwoners, die de kiesgerechtigde leeftijd bereikt hadden, woonachtig waren, zou het recht hebben op een eigen wetgevend lichaam, bestaande uit twee Kamers. De leden van een ervan zouden door de bevolking zelf gekozen worden. Bovendien zou het dan een lid met adviserende stem naar het Congres mogen afvaardigen. Het gehele gebied zou in minstens drie en hoogstens vijf staten verdeeld worden en wanneer een van de aldus afgebakende gebieden in totaal 60.000 vrije inwoners telde, zou dit als gelijkgerechtigd met de oorspronkelijke staten tot de Unie toegelaten worden. Een zes artikelen tellende overeenkomst tussen de oorspronkelijke staten en de bevolking van het genoemde gebied waarborgde de rechten en vrijheden van de ingezetenen en had voorts ten doel het onderwijs te bevorderen en te zorgen dat noch slavernij noch onvrijwillige dienstbaarheid in het betreffende gebied zouden voorkomen. Het systeem waarvan men in de "North West Ordinance of 1787" is uitgegaan, werd sedertdien in geheel Amerika en de meeste Amerikaanse overzeese gebiedsdelen toegepast.

Hiermede werd een geheel nieuwe koloniale politiek, gebaseerd op het beginsel van gelijkgerechtigdheid aanvaard. Er werd volkomen gebroken met de destijds gangbare opvatting dat de koloniŽn er voor het moederland waren en er met hun belangen geen rekening gehouden behoefde te worden daar zij zowel in politiek als maatschappelijk opzicht eenvoudig niet meetelden. Deze zienswijze maakte plaats voor de opvatting dat de koloniŽn in niets onderdeden voor het moederland en niet bij wijze van gunst doch met het volste recht er aanspraak op konden maken als gelijke behandeld te worden. De progressieve ideeŽn, in de ordonnantie neergelegd, zouden de grondslag blijven vormen voor het Amerikaanse optreden tegenover de gebieden in het Westen en voor de Amerikaanse koloniale politiek. Zij zouden de Verenigde Staten in staat stellen zich uit te breiden van dertien tot acht en veertig staten, van de kust van de Atlantische tot die van de Stille Oceaan, zonder dat zich hierbij grote, fundamentele moeilijkheden voordeden.

Helaas bleken de "Articles of Confederation" in vele opzichten te kort te schieten, speciaal wat betreft het verschaffen van een basis voor een waarlijk nationale regering van de dertien staten, die, sedert hun gedelegeerden in 1774 bijeengekomen waren om hun in toenemende mate door Engeland bedreigde vrijheid te verdedigen, meer en meer de neiging vertoond hadden zich nauwer aaneen te sluiten.

Het zou niet meer dan logisch geweest zijn, indien aan de nationale regering bevoegdheden verleend waren om invoerrechten vast te stellen en de nodige voorschriften voor het handelsverkeer uit te vaardigen, doch dit had men verzuimd. Voorts had de nationale regering bevoegdheden moeten hebben tot het invoeren van belastingen ten bate van de nationale economie, doch ook hierin was men te kort geschoten. Zij had zich volledige zeggenschap moeten verzekeren over het buitenlands beleid, doch een aantal staten had zelf betrekkingen met het buitenland aangeknoopt. Negen staten hadden hun eigen strijdkrachten georganiseerd en tal van staten beschikten over een eigen, zij het ook kleine vloot. Er was een vreemd mengelmoesje van munten van een twaalftal buitenlandse mogendheden in omloop en bovendien was er door de afzonderlijke staten en de nationale regering een ontstellende verscheidenheid papiergeld in omloop gebracht, waarvan de waarde gestadig daalde.

Economische moeilijkheden ten gevolge van de oorlog gaven, vooral onder de boeren, aanleiding tot ernstige ontevredenheid. De markt werd overstroomd met landbouwproducten en vooral onder de landbouwers die credieten opgenomen hadden en die doeltreffende maatregelen tegen executoriale verkopen van hun bezit en tegen gijzeling wegens wanbetaling eisten, was de onrust groot. De rechtbanken werden overstroomd met faillissementsaanvragen en de deurwaarders hadden de handen vol. In de zomer van 1786 werd op officiŽle en onofficiŽle bijeenkomsten in verschillende staten aangedrongen op het invoeren van hervormingen. Tal van eigengeŽrfde boeren die gegijzeld dreigden te worden en vreesden dat hun bedrijf, dat van vader op zoon was overgegaan, in het openbaar verkocht zou worden, namen hun toevlucht tot gewelddaden.

In Massachusetts gingen troepjes boeren onder leiding van een zekere Daniel Shays, een gewezen kapitein bij het leger, er in de herfst van 1786 toe over de rechtbanken met geweld te verhinderen zitting te houden, zodat geen voortgang kon worden gemaakt met de aanhangige zaken vůůr de verkiezingen achter de rug waren. De regering van Massachusetts nam energieke tegenmaatregelen en niet ten onrechte want enkele dagen lang dreigde het gebouw waarin de volksvertegenwoordiging te Boston vergaderde, door woedende boeren bestormd te zullen worden. De opstandelingen die vrijwel uitsluitend met knuppels en hooivorken gewapend waren, werden door de landweer op de vlucht gedreven en trokken zich in de heuvels terug. Pas toen het oproer onderdrukt was, stelde de wetgevende vergadering een onderzoek in naar de gegrondheid van de grieven welke tot dit incident aanleiding gegeven hadden en eerst toen werden er maatregelen genomen om aan de ongewenste toestand een einde te maken.

Ongeveer terzelfdertijd zeide Washington dat naar zijn mening de staten als droog zand aan elkaar hingen. Het prestige van het Congres was dan ook nimmer tevoren zo gering geweest. Geschillen tussen Maryland en Virginia over de scheepvaart op de Potomac leidden in 1786 tot een conferentie te Annapolis waaraan gedelegeerden van vijf staten deelnamen. Een van deze gedelegeerden, Alexander Hamilton, wist zijn collega's ervan te overtuigen dat tussen de verschillende vraagstukken een te nauwe samenhang bestond en dat de zaak te ernstig was om het geschil door een niet-representatief lichaam te laten behandelen. Hij wist de gedelegeerden te winnen voor zijn voorstel om de overige staten uit te nodigen gedelegeerden af te vaardigen naar een Congres van de Verenigde Staten ter bespreking van die maatregelen welke hun dienstig zouden voorkomen om de Constitutie van de Federale Regering in overeenstemming te brengen met de eisen des tijds en de behoeften van de Unie. Het continentale Congres was aanvankelijk hoogst verontwaardigd over dit vermetel optreden maar aan de protesten van deze zijde kwam een eind toen bekend werd dat Virginia George Washington als afgevaardigde gekozen had. In de daaropvolgende herfst werden in alle staten, behalve in Rhode Island, verkiezingen gehouden.

In Mei 1787 kwam de Federale Conventie te Philadelphia bijeen en het bleek dat de meest vooraanstaande figuren uit den lande als afgevaardigden gekozen waren. De wetgevende vergaderingen van de afzonderlijke staten hadden hun beste krachten afgevaardigd, allen mannen met aanzienlijke ervaring in het bestuur van de koloniŽn en de staten, in het Congres, de rechterlijke macht en het openbare leven. George Washington die door zijn optreden als opperbevelhebber tijdens de Vrijheidsoorlog en door zijn onkreukbaarheid grote bekendheid verworven had en algemeen beschouwd werd als de meest vooraanstaande figuur van het gehele land, werd tot voorzitter gekozen. De bezadigde en ervaren 81-jarige Benjamin Franklin liet bij de besprekingen meestal de jongeren aan het woord, doch zijn milde humor en zijn grote ervaring als diplomaat droegen er in niet geringe mate toe bij vele moeilijkheden uit de weg te ruimen. Van de overige leden traden vooral gouverneur Morris, James Wilson en James Madison op de voorgrond. Morris, die bekendheid had verworven door zijn bekwaamheid en durf was doordrongen van het besef dat men het niet zonder een nationale regering kon stellen. James Wilson, die evenals Morris uit Pennsylvania afkomstig was, ontpopte zich als een onvermoeibaar strijder voor de nationale idee. James Madison uit Virginia was een jong staatsman en deskundig op het gebied van de politiek en de geschiedenis. Massachusetts vaardigde Rufus King en Elbridge Gerry af, een paar bekwame jonge mannen met een reeds gevestigde reputatie, Connecticut zond Roger Sherman, een schoenmaker die het tot rechter gebracht had en New York Alexander Hamilton die ondanks zijn jeugdige leeftijd - hij was amper dertig jaar - reeds grote bekendheid had verworven. Een van de weinige grote figuren die ontbrak was Thomas Jefferson, die zich in opdracht van zijn regering in Frankrijk bevond. Van de vijf en vijftig gedelegeerden bij de Conventie waren de meesten betrekkelijk jong; zij waren gemiddeld twee en veertig jaar oud.

De Conventie had uitsluitend de bevoegdheid amendementen op te stellen ter aanvulling van de "Articles of Confederation" doch, volgens Madison, schoven de gedelegeerden "met echt mannelijk vertrouwen in hun land" de artikelen terzijde en gingen overleg plegen over een geheel nieuw regeringsstelsel. Zij bleken te beseffen dat het in de eerste plaats noodzakelijk was een compromis te bereiken tussen de plaatselijke autonomie van de dertien semi-onafhankelijke staten en de macht van de centrale regering. Het kwam hun wenselijk voor dat, ofschoon de nationale regering uitgebreide bevoegdheden diende te hebben, deze nauwkeurig omschreven zouden worden en dat alle bevoegdheden die niet aan haar overgedragen waren aan de afzonderlijke staten voorbehouden bleven. De gedelegeerden beseften dat het absoluut noodzakelijk was de nationale regering aanzienlijke macht toe te kennen en zij besloten haar o.a. het recht te verlenen eigen munten te slaan, voorschriften voor de handel uit te vaardigen, oorlog te verklaren en vrede te sluiten. Dergelijke bevoegdheden konden slechts aan een nationale regering verleend worden.

De staatslieden die te Philadelphia bijeenkwamen, deelden Montesquieu's opvattingen over de wenselijkheid het evenwicht tussen de verschillende machten onderling te handhaven.

De in de koloniŽn opgedane ervaringen hadden de juistheid hiervan bevestigd en de gedelegeerden werden in hun overtuiging gesterkt door de geschriften van Locke wiens boeken door de meesten van hen gelezen waren. Dit alles had de overtuiging doen post vatten dat er drie scherp gescheiden machten gecreŽerd moesten worden die elk bepaalde bevoegdheden bezaten en wier werkzaamheden met die van de andere gecoŲrdineerd werden, waarbij er echter voor gezorgd diende te worden dat geen der machten een dominerende positie verkreeg. Er werd derhalve naar gestreefd de wetgevende, rechterlijke en uitvoerende regeringsorganen zodanig te coŲrdineren dat een goede gang van zaken gewaarborgd was. De gedelegeerden achtten het voorts vanzelfsprekend dat de wetgevende macht evenals in Engeland uit twee Kamers zou bestaan, een systeem dat in de koloniŽn trouwens al ingang had gevonden.

Over deze principiŽle punten was men het volkomen eens, doch toen de besprekingen over de wijze waarop het beoogde doel bereikt kon worden begonnen, bleken de meningen van de verschillende afgevaardigden sterk uiteen te lopen. De afgevaardigden van de kleine staten - o.a. die van New Jersey - maakten bezwaren tegen veranderingen die aan hun invloed in de Federale regering afbreuk zouden doen en met name tegen de bepaling dat het aantal leden dat voor een bepaalde staat in de volksvertegenwoordiging zitting zou hebben zou afhangen van het aantal inwoners van die staat. Op grond van de "Articles of Confederation" werden alle staten tot dusverre door een gelijk aantal afgevaardigden vertegenwoordigd. De gedelegeerden van de grotere staten zoals Virginia drongen daarentegen sterk op evenredige vertegenwoordiging aan. Aan het debat over dit vraagstuk dreigde geen eind te komen tot de gedelegeerde van Connecticut tenslotte een zeer overtuigend betoog hield voor evenredige vertegenwoordiging in ťťn van de Kamers, gecombineerd met gelijke vertegenwoordiging in de andere Kamer.

Weliswaar was daarmee voor dit punt een bevredigende oplossing gevonden, doch telkens ontstonden nieuwe problemen welke slechts door nieuwe compromissen opgelost konden worden. Een aantal gedelegeerden voelde er niets voor enig bestuurslichaam van de Federale regering rechtstreeks door de bevolking te laten kiezen, anderen daarentegen waren van mening dat de volksvertegenwoordiging een zo breed mogelijke basis moest hebben. Sommige gedelegeerden waren niet bereid het zich in snel tempo ontwikkelende Westen in de gelegenheid te stellen de status van afzonderlijke staat te verwerven en anderen verdedigden het beginsel van volkomen gelijke rechten, dat reeds in de Ordonnantie van 1787 aanvaard was. Over de punten die de nationale volkshuishouding betroffen, als de uitgifte van papiergeld, de wettigheid van betaalmiddelen en wetten ter beperking van de maatregelen voor de naleving van contracten, bestonden geen ernstige meningsverschillen. Er moest echter een oplossing gevonden worden voor de grote belangentegenstellingen tussen de verschillende gebieden en er ontsponnen zich felle debatten over de bevoegdheden van de verschillende machten en over de benoeming van de President, zijn ambtsperiode, de ambtsperiode van rechters en de rechtbanken die opgericht moesten worden.

De hele, lange, moordend hete zomer worstelde de Conventie ernstig en vastberaden met deze problemen. Tenslotte slaagden de gedelegeerden erin een bevredigend ontwerp op te stellen en het meest ingewikkelde regeringsstelsel, ooit door mensen bedacht, de vorm van een kort staatsstuk te geven. Het was een regeringsstelsel waarbij de regering binnen de grenzen van de haar verleende bevoegdheden de hoogste autoriteit was, doch waarbij deze bevoegdheden scherp omlijnd en nauwkeurig omschreven waren. In het Tiende Amendement, dat in 1791 aangenomen werd, wordt verklaard: "De bevoegdheden welke in de Constitutie niet aan de Verenigde Staten zijn overgedragen en evenmin uitdrukkelijk aan de staten onthouden zijn, blijven respectievelijk voorbehouden aan de staten zelf of aan het volk". Bovendien werd bepaald dat Federale wetten die in strijd waren met de Constitutie geen rechtskracht zouden hebben. Binnen de gestelde grenzen oefenden de staten het hoogste gezag uit en juridisch waren zij in geen enkel opzicht aan de centrale regering ondergeschikt, daar zowel de regeringen van de staten als de Federale regering op dezelfde brede grondslag, n.l. de volkssouvereiniteit rustten. In de daaropvolgende jaren werd de macht van de Federale regering vergroot en wel door middel van nieuwe amendementen, de interpretatie van oude amendementen door de rechterlijke macht en onder de druk van nationale crises. Hetzelfde gold voor de staten, en zelfs nu, in de 20ste eeuw heeft een Amerikaan altijd veel meer te maken met de regering van de staat waarin hij woonachtig is dan met de Federale regering. Niet krachtens de Federale Constitutie doch op grond van hun eigen souvereine rechten oefenen de staten toezicht uit op de plaatselijke bestuursorganen, de politie, het onderwijs, de dienst voor de volksgezondheid, het welzijn en de veiligheid van de bevolking, het juridisch apparaat en het uitvaardigen van wetten, zowel op civiel als op strafrechterlijk gebied en hebben zij zeggenschap over de arbeidswetgeving en het verlenen van rechtspersoonlijkheid aan ondernemingen.

In de Constitutie werd bij de verdeling van de bevoegdheden aan de Federale regering het recht toegekend leningen te sluiten, rechten, accijnzen en belastingen te heffen, munten te slaan, gewichten en maten vast te stellen en octrooien en patenten te verlenen. Voorts kreeg de Federale Regering tot taak voor de bescherming van auteursrechten, de oprichting van postkantoren, het onderhoud van het postverkeer, de instandhouding van leger en vloot, en de uitvaardiging van verordeningen ter regeling van de betrekkingen met de Indianen en buitenlandse mogendheden zorg te dragen. Bepaald werd dat alleen de Federale regering oorlog kon verklaren en vrede kon sluiten en bovendien werd haar het recht toegekend wetten uit te vaardigen betreffende de naturalisatie van vreemdelingen, de verdeling van gronden die staatsdomein waren en de toelating van nieuwe staten tot de Unie. Uitdrukkelijk werd echter bepaald, dat nieuwe staten uitsluitend op basis van volkomen gelijkgerechtigdheid met de oude toegelaten mochten worden. De bevoegdheid alle wettelijke maatregelen te nemen die noodzakelijk of dienstig waren om deze nauwkeurig omschreven doeleinden te verwezenlijken, liet de Federale regering voldoende armslag om ook aan de eisen van latere tijden, toen de maatschappij veel ingewikkelder geworden was, te voldoen.

Uit het regeringsstelsel sprak zeer duidelijk de invloed van de Constitutie van het Engelse Imperium al was deze ook nimmer op schrift gesteld, doch tevens kwam er in de Amerikaanse Constitutie vrijwel geen enkele clausule voor die haar oorsprong niet vond in de Constitutie van een van de dertien oorspronkelijke staten, of in het in de koloniale tijd gevolgde systeem. Het principe van de trias politica was reeds in de koloniale tijd in de grondwetten van de meeste staten verwezenlijkt en juist gebleken. De Conventie riep dus een regeringssysteem in het leven waarbij de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten streng gescheiden waren en elkaar in evenwicht hielden. Wettelijke maatregelen van het Congres kregen pas rechtskracht als zij door de President ondertekend waren en de President moest de belangrijkste benoemingen en alle verdragen die hij wenste te sluiten ter goedkeuring aan de Senaat voorleggen. Hij kon door het Congres in staat van beschuldiging gesteld en afgezet worden. De rechterlijke macht moest alle rechtszaken behandelen en zich hierbij houden aan de wetten en de Constitutie. Aan de rechtbanken werd derhalve feitelijk de taak toegewezen zowel de grondwet als de andere wetten te interpreteren; de leden van de rechterlijke macht, die door de President benoemd werden en wier benoeming door de Senaat bevestigd was, konden eveneens door het Congres in staat van beschuldiging gesteld worden.

De leden van de Conventie voorzagen dat het in de toekomst misschien noodzakelijk zou blijken in het nieuwe staatsstuk wijzigingen aan te brengen of er iets aan toe te voegen. Derhalve werd er in de Constitutie een artikel opgenomen waarin bepaalde voorschriften werden gegeven betreffende de wijze waarop dit diende te geschieden. Om echter de zekerheid te verkrijgen, dat de Constitutie uitsluitend na rijp beraad zou worden gewijzigd, werd Artikel 5 opgenomen, waaraan het te danken is dat het aantal wijzigingen in de Grondwet tot slechts 21 beperkt is gebleven. In dit Artikel is n.l. bepaald dat een wijziging van de Constitutie slechts voorgesteld kan worden door 2/3 van de staten of 2/3 van de leden van de beide Kamers van het Congres in verenigde vergadering bijeen. De voorstellen kunnen op twee manieren kracht van wet verkrijgen, n.l. door ratificatie door de wetgevende vergaderingen van 3/4 van de staten of door invoering in 3/4 van deze staten. Door het Congres wordt bepaald welke methode in elk afzonderlijk geval toegepast zal worden.

Tenslotte moest de Conventie nog het belangrijkste probleem oplossen, n.l. op welke wijze er voor gezorgd kon worden dat het gezag, waarmee de nieuwe regering bekleed was, gehoorzaamd zou worden. De nationale regering had krachtens de "Articles of Confederation" op papier ruime, zij bet ook totaal onvoldoende bevoegdheden gehad, doch in de practijk was hier weinig van terecht gekomen daar de staten zich niets van de besluiten van de nationale regering aangetrokken hadden. Op welke wijze kon nu verhinderd worden dat de nieuwe regering op precies dezelfde moeilijkheid stuitte? Aanvankelijk wisten de meeste gedelegeerden daar slechts ťťn oplossing voor n.l. het gebruiken van geweld, doch al spoedig zagen allen in dat het gebruik van geweld tegen ongehoorzame staten het einde van de Unie zou betekenen. In de loop van de besprekingen werd besloten dat de regering geen gezag zou hebben over de staten als zodanig doch wel over de bevolking van de staten. Door de Federale regering zouden wetten uitgevaardigd worden die golden voor alle inwoners van het land. Als sluitsteen werd door de Conventie in de Constitutie de onderstaande korte doch zeer belangrijke bepaling opgenomen:

"Het Congres heeft het recht alle wetten te maken die noodzakelijk en dienstig zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden die de regering van de Verenigde Staten op grond van deze Constitutie bezit". (Art. 1 Par. 8).

"Deze Constitutie en de wetten van de Verenigde Staten die op grond van deze Constitutie uitgevaardigd zullen worden en alle verdragen die op gezag van de Verenigde Staten gesloten zijn of gesloten zullen worden, zullen de hoogste wet van het land zijn en de rechters in alle staten zullen zich hieraan gebonden achten, ongeacht hetgeen daaromtrent in de Grondwet of in de wetgeving van de betreffende staat bepaald is". (Art. 6).

De naleving van de federale wetten werd op deze wijze, behalve door de federale rechtbanken, rechters en gerechtsdienaren. ook door die der staten gewaarborgd.

Nadat de besprekingen zestien weken geduurd hadden, werd op 17 September 1787 de Constitutie ondertekend na met algemene stemmen door de aanwezige vertegenwoordigers van de staten goedgekeurd te zijn. De gedelegeerden waren zich kennelijk bewust van de grote betekenis van de gebeurtenis en Washington zat in diep gepeins verzonken voor zich uit te staren. Franklin verbrak de stilte echter met een van zijn karakteristieke opmerkingen. Hij wees op de halve zon die in glanzend goud op de rug van Washingtons zetel geschilderd was en merkte op dat kunstenaars altijd moeilijk het verschil hadden kunnen laten uitkomen tussen een op- en een ondergaande zon. Hij zeide: "Tijdens de besprekingen heb ik, zwevend tussen hoop en vrees, herhaaldelijk naar die zon gekeken zonder te kunnen uitmaken of zij bezig was op of onder te gaan. Doch nu weet ik ten langen leste dat het een opgaande en geen ondergaande zon is".

De besprekingen waren afgelopen, de deelnemers vertrokken naar de stadsherberg, gebruikten tezamen de maaltijd en namen hartelijk afscheid van elkaar. Een belangrijke phase van de strijd voor een volmaakter Unie moest echter nog aanbreken, want om het staatsstuk kracht van wet te verlenen moest het door de volksvertegenwoordigingen van de staten goedgekeurd worden. De Conventie had besloten dat de Constitutie kracht van wet zou krijgen zodra zij door negen van de dertien staten goedgekeurd was. Eind 1787 hadden drie staten de Constitutie geratificeerd, doch het bleef de vraag of zes anderen dit voorbeeld zouden volgen. Vele eenvoudige lieden achtten het een gevaarlijk staatsstuk, daar zij vreesden dat het sterke centrale gezag, dat er mee in het leven geroepen werd, hen zou tyranniseren, hun drukkende belastingen zou opleggen en hen in oorlogen zou verwikkelen. Er ontstonden langzamerhand twee partijen, de Federalisten en de anti-Federalisten - zij die voorstanders waren van een sterk centraal gezag en zij die de voorkeur gaven aan een losse band tussen de staten onderling. In de pers, in de wetgevende vergadering en in de volksvertegenwoordigingen van de staten trad deze controverse duidelijk aan de dag en door beide partijen werden vurige vertogen gehouden om hun standpunt te verdedigen. De beste van deze artikelen verschenen in de Federalist Papers, een nu bijna klassiek politiek geschrift van de hand van Hamilton, Madison en John Jay, waarin voor de nieuwe Constitutie een lans gebroken werd. In Massachusetts, waar de ontevredenheid onder de boeren nog steeds groot was, werd aan de Constitutie een "Bill of Rights" in de vorm van een reeks amendementen toegevoegd. Ook andere staten zagen spoedig in dat het van belang was dergelijke amendementen aan de Constitutie toe te voegen en de rechten die oorspronkelijk bij de grondwetten van de afzonderlijke staten gewaarborgd waren, werden in de Constitutie opgenomen in de vorm van de eerste tien amendementen op de originele tekst. Deze amendementen waarborgden de Amerikaanse staatsburgers o.a. vrijheid van godsdienst, mening, drukpers en vergadering, verder een militie in plaats van een staand leger, juryrechtspraak, snelle berechting volgens de wetten van het land en een uitdrukkelijk verbod blanco volmachten voor het verrichten van arrestaties en huiszoekingen uit te geven. De toevoeging van deze "Bill of Rights" deed de staten die nog aarzelden er spoedig toe besluiten de Constitutie goed te keuren, zodat deze tenslotte op 21 Juni 1788 kracht van wet kreeg. Door het Congres van de Confederatie werden voorbereidingen getroffen voor de eerste presidentsverkiezingen en men maakte bekend, dat de nieuwe regering op 4 Maart 1789 een begin met de uitvoering van haar taak zou maken. Hierna ging het Congres zonder enig uiterlijk vertoon uiteen.

Iedereen achtte het vanzelfsprekend, dat Washington President zou worden en hij werd dan ook met algemene stemmen als zodanig gekozen. Op 30 April 1789 legde hij als President van de Verenigde Staten de ambtseed af en zwoer naar zijn beste kunnen de Constitutie van de Verenigde Staten hoog te zullen houden en naar te zullen beschermen en verdedigen.

Een jonge, zelfverzekerde republiek nam haar plaats in de rij der volkeren in. Met de oplossing van de economische problemen, die nog uit de oorlog stamden, was reeds een begin gemaakt en de ontwikkeling van het land ging gestadig door. Uit Europa stroomden de immigranten toe want voor weinig geld kon men de beschikking krijgen over een goede boerderij, terwijl de vraag naar werkkrachten groot was. De vruchtbare rivierdalen in New York, Pennsylvania en Virginia werden al spoedig de grote graanschuren van Amerika. Hoewel tal van artikelen nog steeds door de kolonisten thuis vervaardigd werden, ontstond er langzamerhand een bloeiende industrie. In Massachusetts en Rhode Island werden de grondslagen gelegd voor de daar thans gevestigde, belangrijke textielindustrie; in Connecticut legde men zich toe op de vervaardiging van klokken en tinnen artikelen en New York, New Jersey en Pennsylvania leverden grote hoeveelheden papier, glas, gietijzer en staal. De scheepvaart had zo'n hoge vlucht genomen dat de Verenigde Staten op dit gebied slechts door Engeland overtroffen werden. Reeds voor 1790 voeren Amerikaanse schepen op China om bontvellen te verkopen en thee, specerijen en zijden stoffen te halen.

Het doorzettingsvermogen van de Amerikanen trad echter vooral aan den dag bij de ontsluiting en ontwikkeling van het Westen. Inwoners van New England en Pennsylvania trokken naar Ohio en ingezetenen uit Virginia en North en South Carolina vestigden zich in Kentucky en Tennessee. Door de dalen van het Allegheny gebergte trokken eindeloze colonnes witte huifkarren met emigranten en in Kentucky vestigden zich in geiteleer geklede jagers en pioniers, die hun huisraad, zaaizaad, eenvoudige landbouwwerktuigen en huisdieren op wagens meebrachten. Wanneer deze pioniers een geschikte plaats gevonden hadden, kapten zij een stuk bos en bouwden dan tezamen met hun buren een blokhut; de reten werden met klei dichtgestopt en het dak bestond uit eiken schroten. Het aantal vlotten en schepen met graan, gezouten vlees en loog, die de Mississippi afzakten op weg naar New Orleans, nam van jaar tot jaar toe en elk jaar werden ook de steden in het Westen groter en belangrijker. De pioniers hadden te kampen met wilde dieren en tal van gevaren en moesten ontberingen en ziekten doorstaan, maar desondanks baanden zij zich nieuwe wegen en drongen steeds verder in de wildernis door.

Zo was de toestand toen Washington zijn ambt aanvaardde. De nieuwe Constitutie was nog slechts een voorlopige schets van hoe het in de toekomst zou kunnen worden; ze was iets geheel nieuws en de grote massa stond er nog ietwat vreemd tegenover. De beide partijen die ten tijde van de ratificatie ontstaan waren, wantrouwden elkaar nog steeds. De Federalisten, de voorstanders van een sterk centraal gezag, telden hun aanhangers voornamelijk onder de zakenlieden, en de anti-Federalisten, die voor de rechten van de afzonderlijke staten opkwamen, vonden veel aanhang onder de plattelandsbevolking. De nieuwe regering moest haar eigen bestuursapparaat opbouwen, doch zij beschikte nog niet over inkomsten uit belastingen en zolang er geen rechterlijke macht bestond, kon zij er niet op toezien of de wetten wel nageleefd werden. Het leger was klein en de vloot bestond nog slechts in naam.

De staatsmanswijsheid van Washington was in dit tijdsgewricht voor het land van het allergrootste belang en zijn grote gaven, die hem tot de grootste veldheer van zijn tijd stempelden, maakten hem tevens tot de grootste staatsman van de nieuwe Republiek. Hij verstond de kunst bij het opstellen van zijn plannen het oog op de toekomst gericht te houden, hij had een onuitputtelijk geduid en geen moeite was hem te veel om zijn idealen te verwezenlijken. Hij boezemde respect en vertrouwen in en ging recht op zijn doel af zonder iets aan het toeval over te laten. Uit zijn optreden sprak grote wilskracht-, steeds was hij bescheiden en eenvoudig, doch waardig en gereserveerd in zijn optreden. Zijn zelfbeheersing kon zonder overdrijving stoÔcijns genoemd worden.

De opbouw van het bestuursapparaat was een zeer omvangrijke taak. Het Congres ging spoedig over tot het oprichten van Departementen van Buitenlandse Zaken en FinanciŽn, en Washington benoemde Thomas Jefferson tot Minister van Buitenlandse Zaken en Alexander Hamilton die tijdens de Vrijheidsoorlog als zijn aide gefungeerd had, tot Minister van FinanciŽn. Tegelijkertijd werd door het Congres een begin gemaakt met het instellen van een Federale rechterlijke macht en behalve een Hooggerechtshof, het "Supreme Court", waarvan John Jay de eerste President werd, werden drie z.g. "circuit courts" en dertien Arrondissementsrechtbanken opgericht. Tijdens Washington's ambtsperiode werden voorts een Minister van Oorlog en een Procureur-Generaal benoemd. Doordat Washington er over het algemeen de voorkeur aan gaf pas besluiten te nemen na overleg gepleegd te hebben met mensen in wier oordeel hij vertrouwen stelde, ontstond het Amerikaanse Kabinet waarin de hoofden van alle Departementen die het Congres in de loop der jaren nog zou oprichten, zitting zouden krijgen. Dit lichaam kreeg echter pas in 1907 officiŽle status.

Tijdens de Revolutie waren in Amerika twee belangrijke figuren die in de gehele wereld roem hadden verworven naar voren gekomen, n.l. Washington en Franklin. In de eerste jaren van de Republiek traden opnieuw twee brillante staatslieden op de voorgrond, n.l. Hamilton en Jefferson, die eveneens wereldberoemd zouden worden. Hun plaats in de wereldgeschiedenis hebben deze mannen echter niet in de eerste plaats te danken aan hun grote gaven, doch veeleer aan de wijze waarop zij twee belangrijke, ja zelfs onmisbare, zij het ook tot op zekere hoogte onderling tegenstrijdige opvattingen in de Amerikaanse samenleving tot hun recht deden komen. Hamilton was een voorstander van nauwe aaneensluiting en een sterk centraal gezag, Jefferson voelde meer voor decentralisatie en wilde meer aan de plaatselijke autoriteiten overlaten.

Een belangrijke factor in Hamiltons carriŤre was zijn voorliefde voor orde en doeltreffende organisatie en de tekortkomingen die bij in de jaren tussen 1775 en 1789 in het regeringsbeleid en de bestuursorganisatie constateerde, vormden de directe aanleiding tot zijn besluit zich in dienst van de jonge republiek te stellen. Hamilton liep met stoutmoedige plannen rond. Er stond hem een scherp omlijnde politiek voor ogen, en waar anderen aarzelden en zich tot vage, principiŽle uitspraken beperkten, wist hij precies wat hij wilde. Toen hij door het Huis van Afgevaardigden werd aangezocht plannen uit te werken, waardoor de regering de beschikking zou krijgen over voldoende middelen, stelde Hamilton niet alleen een programma op waarin hij de beginselen waarop de regering z.i. haar FinanciŽle beleid moest baseren op overtuigende wijze uiteenzette, doch tevens gaf hij de middelen aan waardoor een doeltreffend regeringsbeleid gewaarborgd werd. Men kan niet nalaten respect te hebben voor de snelle ontwikkeling van handel en industrie en de opbouw van het bestuursapparaat in Amerika. Ongetwijfeld had de bevolking volledig vertrouwen in het regeringsbeleid en dit krachtig gesteund. Ofschoon tal van mensen een streep door de staatsschuld wensten te halen of deze slechts ten dele wilden erkennen, eiste Hamilton dat de schulden van de Unie tot de laatste cent voldaan zouden worden en dat men een plan zou aanvaarden waarbij de Federale regering de schulden die de staten in verband met de Vrijheidsoorlog gemaakt hadden, zou overnemen. Hij ontwierp plannen voor een "nationale bank" die in verschillende delen van het land bijkantoren zou kunnen openen en nam het initiatief tot de oprichting van de rijksmunt. Hij verdedigde de invoering van beschermende rechten om de ontwikkeling van een eigen industrie te bevorderen. Aan de maatregelen die onder zijn leiding genomen werden was het te danken dat het crediet van de Federale regering een hechte grondslag kreeg en dat zij kon beschikken over de nodige middelen. Bovendien werden hierdoor handel en industrie gestimuleerd, hetgeen er toe leidde dat de regering onder de zakenlieden een vaste kern van aanhangers verwierf die het regeringsbeleid door dik en dun steunden en te allen tijde klaar stonden om elke poging aan de regering afbreuk te doen, te verijdelen.

Thomas Jefferson was meer een denker dan een man van de daad. Lagen Hamilton's gaven op het gebied van de praktijk, Jefferson was meer wijsgerig ingesteld en onder de denkers en schrijvers van zijn tijd, die zich met politieke vraagstukken bezighielden, vond hij zijn gelijke niet. Ten aanzien van de politiek waren zijn opvattingen vaak in lijnrechte tegenstelling met die van Hamilton. Toen hij in opdracht van de Amerikaanse regering naar Frankrijk ging, besefte hij ten volle, dat een sterk centraal gezag voor de buitenlandse politiek van het allergrootste belang was, doch volgens hem mocht dit sterke gezag alleen blijken uit het buitenlandse beleid, daar hij vreesde, dat anders de vrijheid van het volk in gevaar zou worden gebracht. Jefferson stamde uit een aristocratische familie doch bleek niettemin een overtuigd democraat. Hij was een vurig voorstander van gelijke rechten voor allen en een overtuigd strijder voor de vrijheid. Met dezelfde overtuiging waarmede hij gestreden had om zijn land van het Engelse juk te bevrijden, verzette hij zich later tegen alle pogingen van de Kerk en de grootgrondbezitters om de rechten van het volk te beknotten, terwijl hij zich ontpopte als een vurig voorstander van een rechtvaardige verdeling van alle bezit.

Hamilton's streven was erop gericht het land een meer doelmatig bestuursapparaat te verschaffen, terwijl Jefferson de burgers grotere vrijheid wilde geven, daar het zijn stellige overtuiging was dat ieder mens en iedere gemeenschap het recht bezit zijn eigen zaken te regelen. Hamilton vreesde voor anarchie en hechtte grote waarde aan orde en regel, Jefferson daarentegen was beducht voor tyrannie en stelde de vrijheid boven alles. Van beide opvattingen ging een goede invloed op de Unie uit, daar deze eensdeels een sterkere nationale regering nodig had, terwijl aan de andere kant de bevolking zoveel mogelijk vrij moest worden gelaten. Het was een zegen voor Amerika dat het over deze beide mensen beschikte en mettertijd tussen hun beider invloed een evenwicht kon bereiken.

Kort nadat Jefferson als Minister van Buitenlandse Zaken zijn ambt aanvaard had, bleek hoe sterk hun opvattingen uiteenliepen en een nieuwe en uiterst belangrijke interpretatie van de Constitutie was van deze controverse het gevolg. Toen Hamilton n.l. zijn ontwerp voor de oprichting van een Nationale Bank indiende, maakte Jefferson hiertegen bezwaar uit naam van allen die de rechten van de afzonderlijke staten van meer belang achtten dan die van de Federale regering en die bevreesd waren voor kartel- en trustvorming. Hij verklaarde dat de bevoegdheden van de Federale regering in de Constitutie punt voor punt opgesomd waren en dat alle andere bevoegdheden aan de staten voorbehouden waren. Hij wees erop, dat er in de Constitutie nergens gewag gemaakt werd van het recht een Nationale Bank op te richten. Hamilton daarentegen verdedigde het standpunt dat alle bevoegdheden van de Nationale regering niet tot in bijzonderheden omschreven konden worden daar zulks een hopeloze taak geweest zou zijn. Meermalen waren verschillende bevoegdheden onder een hoofd samengevat, zo zeide hij, en hij wees erop, dat aan het Congres het recht verleend was al die wetten te maken die noodzakelijk en dienstig zouden zijn voor de uitoefening van die bevoegdheden, welke uitdrukkelijk aan de Federale regering verleend waren. In de Constitutie stond vermeld, dat de nationale regering het recht had belastingen op te leggen en te innen, schulden te betalen en geld te tenen. Wilde men een en ander op doeltreffende wijze ten uitvoer leggen, dan was volgens Hamilton een Nationale Bank van fundamenteel belang en hieruit concludeerde hij dat het Congres wel degelijk bevoegd was een dergelijke bank op te richten. George Washington en het Congres aanvaardden tenslotte het door Hamilton ingediende voorstel en schiepen daarmede een precedent.

Hoewel de jonge regering in de eerste plaats tot taak had het land tot bloei te brengen en de positie van de Unie te verbeteren, kon zij zich toch niet geheel afzijdig houden van de politieke gebeurtenissen in het buitenland. De hoeksteen van Washington's buitenlandse politiek was het handhaven van de vrede daar het land in de eerste plaats behoefte aan vrede had om de oorlogsschade te kunnen herstellen en de opbouw en interne organisatie, welke veel tijd vereisten, voort te zetten. De gebeurtenissen in Europa dreigden echter roet in het eten te gooien.

Tal van Amerikanen volgden het verloop van de Franse revolutie met grote belangstelling en waren op de hand van de opstandelingen. In April 1793 bereikte Amerika een tijding die dit conflict tot een belangrijke factor in de Amerikaanse politiek maakte. Frankrijk had Engeland en Spanje de oorlog verklaard; "citoyen" Genťt werd als officiŽle vertegenwoordiger van de Franse republiek naar de Verenigde Staten gezonden.

Het bondgenootschapsverdrag tussen Frankrijk en Amerika was officieel nog steeds van kracht en een oorlog zou de Amerikanen de gelegenheid verschaffen hun oude schuld aan Frankrijk af te doen. Hoewel de meeste leden van de Amerikaanse regering grote sympathie voor Frankrijk gevoelden en hoopten, dat dit land de overwinning zou behalen, achtten zij het toch van het allergrootste belang Amerika buiten de oorlog te houden. Washington deelde de belligerenten mede, dat de Verenigde Staten neutraal zouden blijven en toen Genťt aankwam, werd hij uiterst vormelijk ontvangen. Verontwaardigd over deze bejegening deed hij, tegen het hem opgelegde verbod in, een poging de Amerikaanse havens als operatiebases voor Franse kaapvaarders te gebruiken. Enige tijd later gaf de Franse regering gehoor aan het verzoek hem terug te roepen.

In de jaren tussen 1793 en 1795 openbaarde zich duidelijk de tweespalt in de Amerikaanse openbare mening. Sommige Amerikanen beschouwden de Franse Revolutie als een strijd tussen monarchie en republiek, onderdrukking en vrijheid, autocratie en democratie, anderen als een worsteling tussen orde en anarchie, godsdienst en atheÔsme, de bezittende klasse en het proletariaat. De eersten sloten zich aan bij de Republikeinse partij, de voorloper van de tegenwoordige Democratische partij, de overigen bij de Federalisten, uit welke groepering de tegenwoordige Republikeinse partij is ontstaan.

Tengevolge van de affaire-Genťt was het enthousiasme van de Amerikanen voor Frankrijk wel wat bekoeld. Niettemin bleven de betrekkingen met Engeland verre van bevredigend.

Tal van forten in het Westen waren nog steeds door Engelse troepen bezet en de Amerikaanse eigendommen die tijdens de Vrijheidsoorlog door Engelse strijdkrachten in beslag genomen waren, waren noch teruggegeven, noch vergoed, terwijl de Engelse vloot aan de Amerikaanse handel veel schade toebracht. Om voor al deze punten een oplossing te zoeken stuurde Washington John Jay, de reeds eerder genoemde ervaren diplomaat, die tevens president van het Hooggerechtshof was, als buitengewoon gezant naar Londen. Door zijn gematigd optreden slaagde Jay erin een verdrag te sluiten waarbij de Engelsen zich verplichtten hun strijdkrachten uit de forten in het Westen terug te trekken en op het gebied van de handel enige, zij het ook onbelangrijke, concessies te doen. Er werd echter geen overeenstemming bereikt over het eventueel teruggeven of vergoeden van Amerikaanse eigendommen die door de Engelsen tijdens de Vrijheidsoorlog in beslag genomen waren en evenmin over het aanhouden van Amerikaanse schepen of het pressen van Amerikaanse zeelieden tot dienstneming bij de Britse marine.

Het door Jay gesloten verdrag wekte in de meeste kringen grote ontevredenheid, doch tegen het einde van Washington's tweede ambtsperiode bleek dat op andere gebieden reeds veel bereikt was: de regering was behoorlijk georganiseerd, het crediet van het land verzekerd en de handel met het buitenland vooruitgegaan; de Unie had het gebied in het Noord-Westen teruggekregen en de vrede was niet verstoord.

Washington trok zich in 1797 uit het openbare leven terug en weigerde pertinent zich voor de derde maal verkiesbaar te stellen. Hij werd opgevolgd door John Adams, een bekwaam en hoogstaand man die een streng en koppig karakter had. Reeds voor hij dit hoge ambt aanvaardde, had Adams herhaaldelijk met Hamilton overhoop gelegen. Vandaar dat hij bij voorbaat gehandicapt was, aangezien hij moest steunen op een partij en terzijde gestaan werd door een kabinet, welke beide innerlijk verdeeld waren. Daar kwam nog bij dat er zich dreigende wolken samenpakten aan het internationale politieke firmament. Frankrijk, dat heftig verontwaardigd was over het verdrag door Jay in opdracht van zijn regering met Engeland gesloten, weigerde de door Adams benoemde Amerikaanse gezant als zodanig te accepteren. Toen Adams drie andere afgezanten naar Parijs zond, werden ook zij onheus bejegend en de verontwaardiging in Amerika steeg ten top. Er werd een leger op de been gebracht, de vloot werd uitgebreid en in 1798, na een reeks zeegevechten met de Fransen, waarin de Amerikanen steeds de overwinning behaalden, scheen een oorlog onvermijdelijk. In deze crisis sloeg Adams de adviezen van Hamilton, die oorlog wenste, in de wind en zond voor de zoveelste maal een nieuwe afgezant naar Frankrijk, welke door Napoleon, die kort tevoren aan de macht was gekomen, met open armen ontvangen werd; het dreigende gevaar was geweken.

Het binnenlandse beleid van Adams vond bij het volk niet veel bijval en in 1800 volgde dan ook een bestuurswisseling. Onder de goede leiding van Washington en Adams hadden de Federalisten een voortreffelijk bestuursapparaat opgebouwd en een sterk centraal gezag geschapen. Zij waren echter op ťťn punt te kort geschoten: zij beseften namelijk niet dat de Amerikaanse regering overeenkomstig de wil van het volk moest regeren en tengevolge hiervan had het beleid van deze twee presidenten en hun ministers grote groepen van de bevolking van de regering vervreemd. Jefferson, een geboren leider, had onder de kleine boeren, winkeliers en ambachtslieden steeds meer aanhang gekregen. Hoe groot het aantal van zijn volgelingen wel was, bleek op overtuigende wijze bij de verkiezingen van 1800. "Het schip van staat heeft vele stormen doorstaan", schreef Jefferson aan een vriend. "Wij zullen het hun van nu af aan een Republikeinse koers laten volgen en de gratie van haar bewegingen zal van de bekwaamheid van haar bouwers getuigen".

Jefferson had zijn populariteit in grote mate te danken aan het feit, dat zijn opvattingen volkomen strookten met het idealisme, de eenvoud en de onbevangen, optimistische visie waardoor de Amerikaan zich steeds heeft gekenmerkt. Uit de wijze waarop hij in 1801 het presidentschap aanvaardde, bleek duidelijk dat met hem de Democratie aan de macht was gekomen. Als altijd zeer eenvoudig gekleed, begaf Jefferson zich vergezeld door enkele vrienden te voet van zijn bescheiden woning naar het Kapitool. In de vergaderzaal drukte hij Burr, de vice-President, die bij de verkiezingen zijn rivaal was geweest, hartelijk de hand, waarna John Marshall, die kort tevoren tot President van het Hooggerechtshof benoemd was, hem de ambtseed afnam. In zijn rede bij de opening van de nieuwe zitting van het Congres beloofde hij een verstandig, zuinig beleid te zullen voeren dat orde en rust zou waarborgen doch voor het overige het volk in de gelegenheid zou laten vrijelijk naar welvaart en verbetering van de levensomstandigheden te streven.

Alleen al het feit dat Jefferson in het Witte Huis resideerde, droeg ertoe bij de democratische beginselen tot hun recht te doen komen. Hij was van mening dat ook de eenvoudigste burger met evenveel consideratie behandeld moest worden als de hoogste autoriteit. Steeds hield hij zijn ondergeschikten voor dat zij de dienaren van het volk waren; hij bevorderde de landbouw en moedigde de trek naar het Westen aan en daar hij de opvatting huldigde dat iedereen die onderdrukt werd, in Amerika een veilig toevluchtsoord moest kunnen vinden, drong hij aan op het nemen van wettelijke maatregelen om het verkrijgen van het Amerikaanse staatsburgerschap te vergemakkelijken. Eind 1809 was zijn zeer bekwame Minister van FinanciŽn, Albert Gallatin, erin geslaagd de staatsschuld tot nog geen $ 60.000.000 terug te brengen. Jefferson's vertogen vonden in alle staten weerklank en de ene staat na de andere schafte de welstandsgrens, waardoor het aantal kiesgerechtigden beperkt werd, af. Bovendien werden meer humane wetten voor de berechting van wanbetalers en misdadigers aangenomen.

Jefferson slaagde erin door een kloek besluit het grondgebied van de Verenigde Staten te verdubbelen. Het gebied ten Westen van de Mississippi met New Orleans, de havenstad aan de mond van deze rivier, vormde reeds geruime tijd een kolonie van Spanje. Kort nadat Jefferson aan het bewind gekomen was, dwong Napoleon de zwakke Spaanse regering het grote gebied dat als Louisiana bekend stond, aan Frankrijk terug te geven. Deze gebeurtenis wekte bange voorgevoelens en een grote verontwaardiging maakte zich van de Amerikanen meester, want New Orleans was een onmisbare haven voor de verzending van producten uit Ohio en het Mississippi-dal. Napoleon's plannen om een enorm koloniaal rijk aan de Westgrens van de Verenigde Staten te stichten, vormden een groot gevaar voor de handel en de veiligheid van alle Amerikaanse nederzettingen in het binnenland.

Jefferson liet weten dat, indien Frankrijk Louisiana daadwerkelijk in bezit zou nemen, Amerika geen andere keus overbleef dan terstond met Engeland een bondgenootschap te sluiten en dat het eerste kanonschot dat in een Europese oorlog gelost zou worden, het sein zou zijn om een Engels-Amerikaans leger naar New Orleans te laten oprukken. Napoleon was er van overtuigd, dat de Verenigde Staten en Engeland het niet bij bedreigingen zouden laten, doch tot daden zouden overgaan en daar hij er zich tevens van bewust was dat na de adempauze, welke de vrede van Amiens hem gegeven had, een nieuwe oorlog met Engeland dreigde, als gevolg waarvan Louisiana ongetwijfeld voor Frankrijk verloren zou gaan, nam hij het besluit dit gebied aan de Verenigde Staten te verkopen, waardoor hij Louisiana buiten de Engelse invloedssfeer zou houden, zijn schatkist zou spekken en een goede kans zou maken zich de vriendschap van Amerika te verzekeren. Voor $ 15.000.000 kwam dit uitgestrekte gebied in het bezit van de Verenigde Staten. Jefferson ging met deze transactie feitelijk buiten zijn boekje, want geen enkel artikel van de Constitutie gaf hem de bevoegdheid grondgebied van buitenlandse mogendheden te kopen. Bovendien handelde hij zonder het Congres te raadplegen. Door deze koop verwierven de Verenigde Staten in 1803 een gebied van ruim twee en een half millioen vierkante kilometer en de havenstad New Orleans, een stad, schilderachtig gelegen aan een bocht van de Mississippi met een donker cypressenwoud op de achtergrond. De Verenigde Staten kregen hierdoor de beschikking over vruchtbare vlakten die binnen de eerstvolgende tachtig jaar een van de belangrijkste graanschuren van de wereld zouden worden. Bovendien kregen zij de volledige zeggenschap over een groot gebied in het hartje van het nieuwe continent. Binnen enkele jaren ontstond op de Mississippi en de zijrivieren die naar het Westen leidden een druk verkeer van stoombootjes. Deze scheepjes brachten pioniers naar de nieuwe gebieden en keerden beladen met pelzen, graan, gedroogd vlees en vele andere producten terug.

Toen Jefferson's eerste ambtsperiode ten einde liep, genoot hij nog steeds een zeer grote populariteit. Louisiana was een waardevolle aanwinst gebleken, er heerste welvaart in de Unie en de President had niets nagelaten om het alle lagen van de bevolking naar de zin te maken. Het stond bij voorbaat vast dat hij herkozen zou worden. In zijn tweede ambtsperiode die in 1805 begon, gaf Jefferson andermaal blijk van een grote zelfstandigheid door tijdens de verbitterde worsteling tussen Engeland en Frankrijk de Amerikaanse neutraliteit te handhaven. De blokkade waartoe beide partijen overgegaan waren, berokkende de Amerikaanse handel ernstig nadeel. De Engelsen trachtten de winstgevende handel van Amerikaanse vrachtschepen met producten uit Frans West-IndiŽ lam te leggen en lieten de Amerikaanse regering weten dat de gehele Europese kust van Brest tot de Elbe als geblokkeerd beschouwd moest worden. De Fransen gaven hun vlootvoogden bevel elk Amerikaans schip dat zich door de Engelsen liet visiteren of een Engelse haven aandeed, op te brengen. Het duurde niet lang of geen enkel Amerikaans schip kon meer handel drijven met de uitgestrekte gebieden die onder Frans gezag stonden, zonder gevaar te lopen door de Engelsen opgebracht te worden en er kon ook geen handel met de Engelsen gedreven worden zonder dat men zich aan even grote gevaren van Franse zijde bloot stelde. Onder deze omstandigheden werd ieder handeldrijven vrijwel onmogelijk.

De Amerikanen hadden echter nog meer grieven tegen de Engelsen. Om hun tegenstanders een verpletterende nederlaag te kunnen toebrengen, waren de Engelsen begonnen hun oorlogsvloot uit te breiden tot ruim 700 schepen met een bemanning van ongeveer 150.000 zeelieden en mariniers. Deze vloot die een ondoordringbare gordel van schepen vormde, maakte het mogelijk de Engelse handel te beschermen en de lange verbindingslijnen met de koloniŽn intact te houden. Het scheepsvolk werd echter zo slecht betaald en de behandeling en verzorging aan boord van de schepen was zo erbarmelijk, dat het vrijwel onmogelijk was door middel van vrijwillige aanmonstering de beschikking over het vereiste aantal zeelieden te krijgen. Talloze zeelieden drosten om, gezien de betere behandeling en het geringere gevaar, op Amerikaanse schepen te monsteren. Onder de gegeven omstandigheden meenden de Engelse marineautoriteiten het volste recht te hebben Amerikaanse schepen te visiteren en Engelse onderdanen van boord te halen. Indien alle zeelieden die Engels spraken Engelse onderdanen geweest waren, zou deze procedure niet vaak aanleiding tot vergissingen gegeven hebben doch daar ook de Amerikanen Engels spraken, deden er zich talrijke moeilijkheden voor. Bovendien was het vernederend voor Amerikaanse schepen op bevel van Engelse kruisers te moeten bijdraaien en toe te laten dat een Britse marineofficier en een aantal mariniers de bemanning een compleet verhoor afnamen. Verder beschouwden de Amerikanen het optreden van vele Engelse officieren als hoogst arrogant en onbehoorlijk en zij beschuldigden deze ervan honderden bona fide Amerikaanse staatsburgers - ja, naar door sommigen werd beweerd, zelfs duizenden - tot dienstneming bij de Engelse marine geprest te hebben.

Jefferson wist tenslotte het Congres ertoe te bewegen pogingen te doen Engeland en Frankrijk tot rede te brengen en hun bestaande geschillen zonder verder bloedvergieten te beslechten, en wel door middel van de Embargo Act (Embargo Wet), welke alle handel met het buitenland verbood. De gevolgen van deze wet waren desastreus. Enerzijds werden allen die belang bij de scheepvaart hadden, door deze maatregel vrijwel tot de bedelstaf gebracht -waardoor in New England en New York veel ontevredenheid gewekt werd - anderzijds bleek dat ook de landbouwers er ernstig door geschaad werden, want toen de boeren uit het Zuiden en Westen het graan, het vlees en de tabak waaraan in Amerika zelf geen behoefte bestond, niet meer aan hun buitenlandse afnemers konden verkopen, kelderden de prijzen. Binnen een jaar tijds daalde de Amerikaanse export tot een vijfde van het vroegere volume. De hoop dat met dit embargo Engeland gedwongen zou worden uit voedselgebrek zijn houding te wijzigen, ging niet in vervulling. Toen de ontevredenheid in Amerika steeds toenam, besloot Jefferson de bewuste maatregelen te verzachten, waardoor hij er tenslotte in slaagde de scheepvaartkringen milder te stemmen. Het embargo werd vervangen door een wet, waarbij alleen de handel met Frankrijk en Engeland en hun onderhorige gebieden verboden werd en bovendien werd de mogelijkheid geschapen een uitzondering te maken, doordat aan de President machtiging werd verleend het embargo op te heffen ten aanzien van die mogendheid die bereid was de Amerikaanse handel niet langer te belemmeren. In 1810 maakte Napoleon officieel bekend, dat hij bevel gegeven had Amerikaanse schepen ongemoeid te laten, een verklaring welke, zoals later bleek, niet in overeenstemming was met de feiten. De Verenigde Staten hechtten er evenwel geloof aan, zodat alleen het embargo op de handel met Engeland gehandhaafd bleef.

Na zijn tweede ambtsperiode stelde Jefferson zich niet herkiesbaar en in 1809 werd James Madison als President gekozen. De betrekkingen met Engeland werden steeds slechter en het gevaar voor oorlog nam dreigende vormen aan. De President diende bij het Congres een gedetailleerd rapport in waaruit bleek dat de Engelsen in nog geen drie jaar 6057 Amerikaanse staatsburgers geronseld hadden. Bovendien hadden de kolonisten in het Noord-Westen ernstig te lijden van aanvallen van Indianen die, naar beweerd werd, door Engelse agenten in Canada tegen de Unie opgezet waren. In 1812 verklaarden de Verenigde Staten Engeland de oorlog.

Inmiddels waren in de Verenigde Staten ernstige meningsverschillen ontstaan: het Zuiden en Westen waren vůůr oorlog, doch New York en New England waren er tegen. Toen de oorlog verklaard werd, was het leger nog lang niet voor de strijd gereed. Op ver van elkaar gelegen punten aan de kust, langs de Canadese grens en in het binnenland, lagen in totaal nog geen 7000 man geregelde troepen. Deze troepen zouden slechts gesteund worden door de ongeoefende en ongedisciplineerde militie van de verschillende staten.

De vijandelijkheden begonnen met een inval in Canada en wel op drie plaatsen; indien deze operatie behoorlijk gecoŲrdineerd en uitgevoerd was, zou zij een groot gevaar voor Montreal gevormd hebben. De campagne liep echter op een fiasco uit en eindigde met de bezetting van Detroit door de Engelsen. De operaties te land hadden dus een ongunstig verloop, doch de successen van de vloot gaven de Amerikanen nieuwe moed. Het fregat Constitution onder bevel van kapitein Isaac Hull ontmoette op 19 Augustus 1812 ten Zuid-Oosten van Boston de Engelse GuerriŤre en vernietigde het vijandelijke schip na een zeegevecht van een half uur. Twee maanden later werd het Engelse marinevaartuig Frolic door de Amerikaanse Wasp in de grond geboord. Deze opmerkelijke prestaties van de Amerikaanse Marine deden de gehele wereld versteld staan. Bovendien maakten Amerikaanse kaperschepen zich in de herfst en de winter van 1812-'13 van 500 Engelse schepen meester.

In 1813 werd het toneel van de strijd verplaatst naar het gebied om het Erie-meer in de staat New York. Een strijdmacht samengesteld uit miliciens, vrijwilligers en geregelde troepen was onder bevel van Generaal William Henry Harrison uit Kentucky opgerukt om Detroit te heroveren. Op 12 September, toen dit leger zich nog in het Noorden van Ohio bevond, ontving Harrison het bericht, dat Commodore Oliver Perry de vijandelijke vloot op het Eriemeer vernietigd had. Twee dagen tevoren had Perry n.l. een aantal Engelse schepen in zicht gekregen en na een heroÔeke strijd die twee en een half uur duurde, kon hij melden: "Wij zijn met de vijand slaags geraakt en hebben hem overmeesterd". Dit bericht wekte in het gehele land een laaiend enthousiasme. De Amerikanen behielden verder in dit gebied de overhand. Harrison was nu in het offensief en nauwelijks een maand later beheersten de Amerikanen het Noorden van Canada. Aan het einde van het jaar waren de Engelsen echter nog steeds heer en meester over het Ontariomeer en de reeks gevechten die in de daaropvolgende achttien maanden zowel te land als ter zee geleverd werd, kon aan de strijd geen beslissende wending geven.

De oorlog eindigde met het vredesverdrag van Gent, dat in Februari 1815 door de Verenigde Staten geratificeerd werd. Tijdens de onderhandelingen lieten zowel Engeland als de Verenigde Staten steeds meer eisen vallen, zodat merkwaardigerwijze geen van beide partijen er tenslotte op vooruit ging. Er werd feitelijk slechts overeengekomen dat de vijandelijkheden gestaakt zouden worden, de krijgsbuit over en weer teruggegeven en een commissie voor de regeling van grensgeschillen gevormd zou worden. Over het ronselen van zeelieden voor de Engelse marine en koopvaardij en over de z.g. neutraliteitsrechten - vraagstukken die tot deze rampzalige oorlog geleid hadden - werd gezwegen. De overwinning die door een samengeraapte doch geduchte strijdmacht, bestaande uit kolonisten onder aanvoering van de houwdegen Andrew Jackson, bij New Orleans op de Engelse strijdkrachten behaald werd, gaf de Verenigde Staten alle reden tot uitbundige vreugde. Het toeval wilde dat deze veldslag werd geleverd op 8 Januari toen het vredesverdrag reeds getekend, doch hiervan in Amerika nog niets bekend was. Zoals in alle oorlogen waren de verliezen groot; voor de jonge republiek die nog in de kinderschoenen stond, was het grote verlies aan gewonden en gesneuvelden, t.w. 21.000 matrozen en 30.000 soldaten weinig minder dan een ramp. Daar kwam nog bij dat 1400 schepen vernietigd en enorme financiŽle verliezen geleden waren.

De historici zijn het er echter over eens dat de oorlog van 1812 een positief resultaat heeft opgeleverd en veel heeft bijgedragen tot het versterken van de eenheid en vaderlandsliefde van het Amerikaanse volk.