Taal
en tekstbegrip in het wiskundeonderwijs.
English
version
Tegenwoordig zijn bijna alle
wiskundemethoden die in het Nederlandse wiskundeonderwijs gebruikt worden
gebaseerd op de ideeën van de Realistische Wiskunde. De theorie van het
Realistisch Wiskundeonderwijs omvat inzichten over wat wiskunde is, hoe
leerlingen wiskunde leren en hoe wiskunde onderwezen zou moeten worden. Wiskunde
leren wordt gezien als een interactief proces waarbij het eigen taalgebruik van
leerlingen het startpunt vormt van waaruit het leren plaatsvindt. Freudenthal
(1973) vond dat wiskunde verbonden moet worden met de realiteit, dicht bij de
belevingswereld van de leerlingen moet blijven en relevant moet zijn voor de
maatschappij om van waarde te kunnen zijn. Daarom worden in de Realistische
Wiskunde wiskundeopgaven altijd geplaatst in een rijke linguïstische context:
kleine verhaaltjes die de situaties beschrijven die leerlingen kunnen herkennen.
Door deze hervorming van het
wiskundeonderwijs wordt er dus een groot beroep gedaan op de taalvaardigheid van
leerlingen: tijdens de wiskundeles wordt veel taal gebruikt. Naast het feit dat
de contexten in taal worden beschreven en leerlingen deze moeten lezen voordat
ze de opgave kunnen oplossen, vinden er ook onderwijsleergesprekken en
mondelinge instructiemomenten plaats en worden in de klas worden de vragen en
opgaven besproken nadat de vragen als huiswerk gemaakt zijn. De taal in de klas
bestaat uit woorden uit het dagelijks leven die gebruikt worden om over de
opgaven te praten, schooltaalwoorden die onderdeel zijn van de algemene
instructietaal en specifieke vaktaal, de wiskundetaal.
In mijn onderzoek
kijk ik naar de rol van tekst- en taalvaardigheden in het wiskundeonderwijs. Om het
complexe proces van tekstbegripsprocessen te onderzoeken die tijdens het
oplossen van wiskunde problemen oplossen plaatsvinden, zijn kwalitatieve en
kwantitatieve gegevens verzameld. De kwalitatieve gegevens bestaan uit
hardop-denk protocollen van twintig geselecteerde studenten in hun eerste jaar
van secundair onderwijs (schooljaar 1999 - 2000). Deze gegevens zijn verzameld
om de daadwerkelijke tekstreconstructie van leerlingen te onderzoeken die een
rol spelen tijdens het individuele proces van het probleem oplossen.
Om inzicht te krijgen in de
tekstbegripsvaardigheden van leerlingen (en de deelvaardigheden daarbij) ,
zijn extra kwantitatieve gegevens verzameld van leerlingen uit
tweede leerjaar op twee scholen (schooljaar 2000 - 2001), met inbegrip van de
twintig geselecteerde leerlingen uit het kwalitatieve onderzoek. Deze gegevens
zijn verkregen door middel van de Elektronische TekstbegripToets en vier andere
toetsen: een begripstest voor wiskundige teksten, een algemene
woordenschattoets, een wiskundewoordenschattoets en een toets voor
tekstbegripsvaardigheden op het meso-niveau (tekstuele coherentie). Ook is een
rekentoets afgenomen.
supervisors: Kees
de Glopper en Hilde Hacquebord
more information: click
here to download my proposal
Kader
Dit promotie-onderzoek
is onderdeel van het project 'Interaction in the multicultural/multilingual
classroom as a means of inclusion and exclusion' (1999-2001), een grootschalig
kwalitatief onderzoek naar in- en uitsluitingsprocessen in interactie in de
multiculturele klas (Hajer e.a., 2002). Dit onderzoek van de RijksUniversiteit
Groningen en Universiteit Utrecht kwam tot stand met subsidie van NWO in het
kader van het meerjarenprogramma 'de Nederlandse Multiculturele en Pluriforme
Samenleving'. De doelstelling van dit project was om, via analyse van
interactieprocessen, in- en uitsluitingsmechanismen te onderzoeken die in de
klas plaatsvinden tussen docent en leerlingen en tussen leerlingen onderling om
zo factoren bloot te leggen die ertoe kunnen bijdragen dat allochtone
leerlingen, in het bijzonder Marokkaanse leerlingen, achterblijven in
onderwijsprestaties. In het project werkten onderzoekers vanuit verschillende
disciplines van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en de Universiteit Utrecht
(UU): gespeksanalytici Herrlitz en Koole (UU), socio-cultureel psychologen
Elbers, Maier en Bos (UU), antropologen Jonkers (UU) en Hermans (RuG),
psycholoog Pels (UU), taalwetenschappers Hajer (HvU), Berenst, Deen (RuG),
wiskundedidactici Gravemeijer, Van Eerde en Van den Boer (UU, Freudenthal
Instituut) en aio Prenger (RuG) onder begeleiding van Hacquebord en Redeker / De
Glopper (RuG). Gezamenlijk hebben zij de interactie geanalyseerd in
wiskundelessen van twee multi-etnische brugklassen van twee scholen voor
voortgezet onderwijs.
naar boven