Dat concludeert oud-Enschedese Joanneke
Prenger in haar proefschrift "Taal telt!" waarop ze binnenkort hoopt te
promoveren aan de RijksUniversiteit Groningen. Prenger deed onderzoek op
verschillende vmbo- scholen in het land. Ze voerde gesprekken met
kinderen, liet ze toetsen maken en analyseerde een veelgebruikte
wiskundemethode.
Prenger constateert dat de auteurs van wiskundeboeken weinig rekening
houden met de kennis van vmbo-leerlingen. Woorden als populier en vaargeul
zijn voor deze doelgroep te hoog gegrepen, blijkt uit het onderzoek.
Vooral allochtone leerlingen in de tweede klas van het vmbo presteren
daardoor bij wiskunde minder. "Illustratief is de opgave over René die de
stop uit het bad haalt. Leerlingen kennen het woord stop niet. Ze denken
dat bedoeld wordt: de kraan stopt. En dus kiezen ze het verkeerde antwoord
in de grafiek."
Volgens Prenger is er in de wiskundeles structureel te weinig aandacht
voor taal. Docenten zouden in de klas vaker stil moeten staan bij
moeilijke woorden en het tekstbegrip van leerlingen, omdat het vak de
afgelopen decennia steeds taliger is geworden. 'Leraren zullen
waarschijnlijk zeggen dat ze daar geen tijd voor hebben. Maar je kunt je
afvragen of je per se het hele wiskundeboek moet doornemen, terwijl een
groot deel van de leerlingen afhaakt. Dan kun je beter minder doen, zodat
iedereen het begrijpt.'
Het onderzoek toont ook aan dat vmbo-leerlingen hun antwoorden
formuleren in dagelijks taalgebruik. Dat levert nogal eens onduidelijke
antwoorden op. In hun bewoordingen stijgt de grafiek bijvoorbeeld niet
maar gaat deze omhoog. Prenger: "Leraren keuren dat goed, om op zich
begrijpelijke redenen. Maar eigenlijk zouden ze leerlingen bij moeten
brengen dat de grafiek stijgt. Als je meer taalbegrippen bijbrengt, wordt
wiskunde ook begrijpelijker."
De promovenda pleit daarnaast voor meer taalkundige experts in de
schrijversteams van wiskundeboeken, om de vmbo-methodes toegankelijker te
maken.