De Hellenistische wereld

inleiding: Diadochen

Na de dood van Alexander verdelen de Diadochen (Opvolgers) het rijk onderling: Ptolemaeen in Egypte, Seleuciden in Voor-Azië, Antigoniden in Macedonië en (vanaf c. 260) Attaliden in Pergamon. Er ontstaat een zeker machtsevenwicht dat pas verstoord wordt door de komst van de Romeinen vanaf c. 200. Antigoniden worden verslagen in 168; de laatste koning van Pergamon laat het Attaliden rijk per testament na aan Rome in 133. De sterk verzwakten Seleuciden blijven op de troon tot 64 v. Chr. In 31 v. Chr verslaat Augustus ook de laatste Ptolemaische koningin (Kleopatra VII).

DeHellenistische koningen

'koloniale' rijken

De Hellenistsiche koninkrijken waren in zekere zin koloniale rijken: een Grieks-Macedonische elite aan het hof, in het leger en in de steden domineert de autochthone bevolking die goeddeels als een onderklasse in de landbouw werkzaam is.

Het leger:

De vorsten voerden een 'staand leger' in van vnl. Grieken en Macedoniers (en in mindere mate gehelleniseerde autochthonen). Garnizoenssteden en versterkte dorpen dienden als militaire kolonies (katoikiai). (Ex) soldaten ontvangen kleros (vaak bebouwd door autochthone boeren) en kunnen zich ontwikkelen tot landbezittende elite. Deze steden zijn centra van Griekse cultuur.

landbouwproductie

De meest rijken werden beschouwd als het privébezit van de Hellenistische koningen: de landbouwopbrengsten werden gemaximaliseerd voor het in stand houden van de monarchie. In Egypte wordt door Ptolemaeus II Philadelphus (283-247) een vergaande reglementering van het economische leven doorgevoerd. Maximalisering van de tax-inkomens lijkt de belangrijkste motivatie.

het hof/vrienden

Het bestuur van de Hellenistische vorsten berustte op een uitgebreide bureaucratie, die bemand werd door Grieken, Macedoniers, en in veel mindere mate geassimileerde autochthonen. Daarnaast omringden Hellenistische vorsten zich ook met een groep van 'vrienden' (philoi). Deze dienden individueel en collectieef als adviseurs ministers van de vorst. Men kon rekenen op een forse beloning in de vorm van land, of eervolle (en lucratieve) functies.

symbolische aspekten

Positie van de koningen berustte ook op symbolische aspekten, zoals goddelijke afkomst, grote macht, een groot territorium, rijkdom, overwinningen, generositeit en eerbied voor de goden. De koningen voeren een uitgesproken dynastieke politiek, waarin de prominente rol van vrouwen uit de koninklijke familie opvalt. In Egypte leidt dit zelfs tot officiele incest. Heerserscultus is wijdverbreid de wortels liggen deels in Griekse cultuur (de stedelijke culten voor uitzonderlijke machthebbers) en in het Orientaals-Egyptische god-koningschap.

De Griekse steden

De Griekse steden zijn niet in crisis: de polis verbreidt zich over de gehele Hellenistische wereld, en kent lange periode van culturele en materiele bloei. Op institutioneel en sociaal gebied zijn er wel veranderingen.

de democratie

Vaak was er officieel sprake van democratie, maar de rol van de rijken is wel dominant: zij monopoliseren de ambten (en dragen zorg voor financiering). Onderscheid ambt en liturgie vervaagt. De raad (boule) ontwikkelt zich tot een permanent orgaan, waarin de rijksten permanent zitting hebben. De ekklesia (volksvergadering) heeft nog wel traditionele taken (bijv. kiezen en controleren gezagsdragers; regelen voedselvoorziening), maar de raad domineert in veel opzichten (maar niet voor de volle 100 %). De autonomie is wel beperkt tot locale aangelegenheden (maar is dit zoveel anders dan de positie van de meeste steden in de Delisch Attische bond?

Sociale hierarchie

De kloof tussen rijk en arm werd in deze periode wel steeds groter, en raakte uiteindelijk zelfs geinstitutionaliseerd. Hierarchisering wordt rituelle uitgedrukt. Evergetisme leidt ertoe dat de elite zich als een superieure stand kon presenteren. Hiermee nauw verbonden is de aandacht voor het onderwijs: weldoeners leveren fondsen voor (gratis?) onderwijs. Het lijkt erop alsof mn. de elite hiervan profiteert. Tenslotte is er een toenemende zichtbaarheid van vrouwen op het politieke toneel, waar ze verschijnen als weldoeners, liturgisten en zelfs magistraten. Het lijkt hier echter vooral te gaan om een aspekt van de hierachisering/oligarchisering van de maatschappij: vrouwen zijn vooral actief als representant van elite families.