Proeftentamen Oude Geschiedenis; oktober 2001

NB Dit proeftentamen is gebaseerd op het tentamen van 2000. Het tentamen is bedoeld als een hulpmiddel bij de voorbereiding. Het geeft slechts een globale indruk van de manier van vragen en het formaat: we behouden ons echter het recht voor om het definitieve tentamen anders in te richten.

Het tentamen bestaat uit

1: meerkeuze toets (50 vragen)

2: essay vragen (4 te kiezen uit 6)

3: 1 vraag nav. tekstfragment (1 te kiezen uit 2)

Het tentamen heeft betrekking op:

1: de stof van de hoorcolleges (inclusief handouts)

2: de stof uit het handboek (exclusief de pagina's over China en India)

3: De stof van het werkboek en het werkcollege

I : meerkeuze toets

1 De periode in de Griekse geschiedenis van ongeveer 1000-750 v. Chr. staat bekend als:

a de dark age

b de archaïsche tijd

c de Myceense tijd

d de Hellenistische tijd

2 Rome maakte in de zesde eeuw v. Chr. een periode door van Etruskische heerschappij, of op zijn minst sterke Etruskische invloeden. Wat is daarvan het meest kenmerkend?

a de macht van de koning (rex).

b het ontstaan van een aaneengesloten bebouwing, met het forum Romanum als centrum.

c de rol van de senaat.

d de centrale plaats van de paterfamilias, het hoofd van de familie.

3 De Griekse tirannen konden opkomen omdat

a de rijken steeds machtiger werden.

b het Spartaanse voorbeeld velen inspireerde.

c de aristocratie intern verdeeld was.

d de radicale democratie onvoldoende besluitvaardig was.

 

4 De Ionische opstand was

a een opstand tegen het Perzisch gezag over Klein-Azië.

b een opstand tegen de macht van Milete

c een opstand van de oorspronkelijk Dorische bevolking van Griekenland tegen de Ionische overheersing.

d een opstand van de Ioniërs tegen de macht van Lydië.

5 In de zesde eeuw v.Chr. nam in Athene het grootgrondbezit toe. Dit grondbezit werd vooral verworven door

a in de handel rijk geworden metoiken die hun winst veilig wilden stellen.

b familie van de tirannen.

c verkoop door in de schulden geraakte boeren.

d overerving.

6 Slavernij bestond in archaïsch Griekenland vooral in

a de landbouw

b de handel

c in het huishouden

d aan het hof

7 In Sparta waren homoseksuele relaties niet ongewoon. De reden is dat

a het een maatschappij was met zo weinig respect voor vrouwen, dat Spartaanse vrouwen op vaak jeugdige leeftijd overleden. Er was dus een tekort aan oudere vrouwen.

b Sparta, ondanks de schijn van het tegendeel, een nogal innovatieve maatschappij was, met uiteindelijk een grote tolerantie voor nieuwe gewoonten.

c de Spartaanse maatschappij sterker verdeeld was in leeftijdsgroepen dan andere Griekse poleis. Homoseksuele relaties waren onderdeel van de initiatie van de jongeren in de wereld van de volwassenenen.

d mannen vaak lang van huis waren op veldtocht.

8 In de archaïsche tijd werden steeds meer en steeds grotere tempels gebouwd. Wat was daarvan de oorzaak?

a De grote bevolkingsgroei: daardoor waren grotere gebouwen nodig, om alle gelovigen een plaatsje te kunnen geven.

b De grote vooruitgang in de bouwtechniek.

c De opkomst van tirannen die de tempels uit prestigeoverwegingen betaalden.

d De opkomst van de polis als politieke organisatievorm.

9 De Spartanen noemden zich ‘de gelijken’ omdata er in Sparta weinig sociale ongelijkheid was.

b ze allemaal even goede soldaten waren.

c vrouwen toch niet meetelden.

d er tussen de Spartiaten onderling geen al te grote verschillen bestonden.

10 Wat was de slag bij Salamis?

a De slag bij Salamis was een glorieuze overwinning van een Atheense oorlogsvloot van 200 ramschepen op de Perzen.

b De slag bij Salamis (494 v.C.) was een glorieuze overwinning van een Atheens ruiterleger van 2.000 man op de Perzen.

c De slag bij Salamis was een glorieuze overwinning van een Atheens hoplietenleger van 10.000 man op de Perzen.

d De slag bij Salamis was een glorieuze overwinning van een Atheense vloot van 200 tot oorlogschepen omgebouwde koopvaardijschepen op de Perzen.

11 Wat was de essentie van de hervormingen van Kleisthenes?

a Het politieke accent verschoof door de hervormingen van Kleisthenes een raad van 500, waarvan de kern gevormd werd door de leden van zijn voorganger, de Raad van 400.

b Het politieke accent verschoof door de hervormingen van Kleisthenes door de invoering van het ostracisme naar de volksvertegenwoordiging.

c Het politieke accent verschoof door de hervormingen van Kleisthenes naar een nieuw instituut, een jaarlijks samen te stellen raad van 500.

d Het politieke accent verschoof door de hervormingen van Kleisthenes door de invoering van het ostracisme naar de volksvergadering.

12 Wat hield de omwenteling van 411 in Athene in?

a Een groep pro-Spartaanse politici bracht een kortstondige omwenteling in Athene te weeg.

b Een groep antidemocratische politici bracht een kortstondige omwenteling in Athene te weeg.

c Een groep pro-Perzische politici bracht een kortstondige omwenteling in Athene te weeg.

d Deze bracht een blijvende inperking van het democratische bestel tot stand.

13 De Korinthische Bond betekende in feite

a de onderwerping van de Griekse poleis aan koning Filippos II van Macedonië.

b de vestiging van een anti-Perzisch bondgenootschap van de Grieken met koning Filippos II van Macedonië en onder Atheense leiding.

c een verbond van koning Filippos II van Macedonië met de andere Grieken tegen de Atheners en Thebanen.

d een verbond van koning Filippos II van Macedonië met de andere Grieken tegen de Spartanen en de Thebanen.

14 Hoe is de afsluiting van de `standenstrijd' in het begin van de derde eeuw het best te beschrijven?

a Met de erkenning van de plebiscita, of `volksbesluiten' als rechtsgeldig. In feite werd de plebejische vergadering echter door de aanzienlijken en leidende politici in de gewenste richting gemanipuleerd.

b Met de erkenning van de plebiscita, of `volksbesluiten' als rechtsgeldig, maar in feite bleef het recht van ratificatie door de senaat onaangetast.

c Met de erkenning van de plebiscita, of `volksbesluiten' als rechtgelding, dat wil zeggen zonder speciale goedkeuring van de senaat.

d Met de erkenning van de plebiscita, of `volksbesluiten' als rechtsgeldig. Dat was de bevestiging van een praktijk die al lang zo gegroeid was.

15 Welke rol (of niet) hadden banken in de Atheense economie?

a Banken speelden vooral een rol in de verstrekking van leningen voor de aanschaf van slaven.

b Banken speelden alleen een rol ter financiering van de mijnbouw.

c Banken speelden in de Atheense economie geen rol van betekenis als investeringsinstrument

d Banken speelden geen rol van betekenis in de Atheense economie.

16 Vul deze zin zo juist mogelijk aan: `In het klassieke Athene was het in de eerste plaats de afstamming die bepaalde wie burger was en wie niet',

a in de praktijk werd daar door buren en verwanten controle op uitgeoefend.

b wel werden inwonende vreemdelingen met enige regelmaat door de Raad van 500 tot medeburger `genaturaliseerd'.

c dat betekende na 450, dat het burgerrecht beperkt was tot kinderen uit een wettig huwelijk van een burger met een wettige burgersdochter.

d dat betekende, dat alleen kinderen van manlijke burgers voor het burgerrecht in aanmerking kwamen.

17 Wat was de ekklèsia in Athene?

a Het parlement, dat is de volksvertegenwoordiging van Athene.

b De volksvergadering de vergadering van alle mannelijke burgers, zonder keuze van vertegenwoordigers, behalve degenen die niet konden deelnemen omdat zij geen dagloon konden missen.

c De vergadering van alle mannelijke burgers die voor hun levensonderhoud van het daggeld van de volksvergadering afhankelijk waren.

d De vergadering van alle mannelijke burgers, zonder keuze van vertegenwoordigers.

18 Hoe heeft in het oude Griekenland de betekenis van het woord `sofist' zich ontwikkeld?

a Het woord sofist, dat oorspronkelijk `filosoof' betekende, kreeg al spoedig de klank van kenner van de retorica, onderwijzer in de kunst van het spreken.

b Het woord sofist, dat oorspronkelijk betekende `iemand die een bepaalde kennis bezit', kreeg al spoedig een slechte klank, als iemand die tè handig was met woorden, een propagandist van normloosheid.

c Het woord sofist, dat oorspronkelijk `filosoof' betekende, kreeg al spoedig een slechte klank, als iemand die tè handig was met woorden, een propagandist van normloosheid.

d Het woord sofist, dat oorspronkelijk betekende `iemand die een bepaalde kennis bezit', kreeg al spoedig een slechte klank, als iemand die tè handig was met woorden, een vijand van de democratie.

19 Hoe was homoseksualiteit in Griekenland acceptabel?

a Homoseksualiteit was in Griekenland alleen geaccepteerd als beide partners ongehuwde mannen waren.

b De acceptatie van homoseksualiteit in Griekenland werd in de loop van de klassieke tijd (in de vierde eeuw) gaandeweg groter.

c De acceptatie van homoseksualiteit in Griekenland hing sterk af van de sociale status van de partners.

d De acceptatie van homoseksualiteit was in Griekenland algemeen en wijd verbreid.

20 Wat was een Grieks tempel?

a Het centrum van het religieuze leven. Bij religieuze feesten werden de heiligste handelingen in de tempel door de priesters verricht.

b De tempel is te vergelijken met een kerk, een synagoge of een moskee. Zij dienden vooral als plaatsen waar de gelovigen bijeenkwamen.

c De woning van de godheid, waar een individu kon gaan bidden.

d Omdat vlees alleen gegeten kon worden als het offervlees was, zijn de Griekse tempels het beste te vergelijken met slachthuizen.

21 Hoe karakteriseert u Aristoteles' voorstelling van de ideale polis?

a Deze houdt in, dat alleen wie de middelen heeft om tijd vrij te maken om aan de politiek deel te nemen daadwerkelijk burger kan zijn.

b Deze houdt in dat filosofenbestuurders een totalitair bestuur uitoefenen over twee lagere klassen van boeren-ambachtslieden en soldaten.

c Deze wees de weg naar het monarchale stelsel van de toekomst.

d Deze verwierp een hiërarchische ordening op basis van economische criteria en anciënniteit.

22 In het eigenlijke Iran was de opvolger van het door Alexander de Grote vernietigde Perzische Rijk

a Het Seleucidenrijk

b Het Ptolemaeënrijk

c Het Parthenrijk

d Bactrië

23 De Achaeïsche Bond was een

a een economische krachtenbundeling van een aantal poleis op de Peloponnesos

b een krachtenbundeling van een aantal poleis op de Peloponnesos gericht tegen met name de Aetolische Bond

c een krachtenbundeling van een aantal poleis op de Peloponnesos gericht tegen met name Macedonië

d een krachtenbundeling van een aantal poleis op de Peloponnesos gericht tegen zowel Macedonië als de Aetolische Bond

24 De inmenging en het militaire ingrijpen van Rome vanaf 200 v.Chr. in Griekenland kwam vooral voort uit

a een oprechte wens de Griekse poleis hun vrijheid terug te geven

b een puur imperialistische houding van de Romeinse elite

c wraakzucht tegen Macedonië dat Carthago had gesteund in zijn strijd tegen Rome

d vrees voor een herleving van een machtig militair Griekenland

25 De griekse poleis in het Seleucidenrijk waren

a geheel onafhankelijke bestuurlijke eenheden

b bestuurlijke eenheden met lokale autonomie

c bestuurlijke eenheden direct geregeerd door de Seleuciden vorst

d bestuurlijke eenheden geregeerd door een vertegenwoordiger van de Seleuciden vorst

 

26 De anti-Romeinse stemming in Klein-Azië rond het jaar 100 v. Chr. werd veroorzaakt

a doordat de koning van Pergamon tegen de zin van zijn onderdanen zijn koninkrijk bij testament vermaakte aan Rome

b door het uitbuitende optreden van Italische belastingpachters, financiers en handelaren

c door de vrijheidsoorlog van Mithradates van Pontos

d door de desinteresse van Rome voor dit deel van het Middellandse Zeegebied

27 De goedgevulde schatkist van de Ptolemaeën was te danken aan

a de grote vruchtbaarheid van het Nijldal

b een snelle toename van de buitenlandse handel

c een vergaande reglementering van landbouw, produktie en handel

d de spreekwoordelijke zuinigheid van de Ptolemaeïsche koningen

28 Een provincia is

a een gebied in Italië dat direct vanuit Rome werd bestuurd

b een gebied buiten Italië dat sterke mate van autonoom bestuur had

c een gebied buiten Italië dat direct door een Romeinse magistraat werd bestuurd

d een gebied in en buiten Italië dat direct door een Romeinse magistraat werd bestuurd

29 Na de overwinning van Rome op Carthago in de Tweede Punische oorlog (218-201)

a werd Spanje aan het Romeinse gebied toegevoegd

b werd Corsica aan het Romeinse gebied toegevoegd

c werd Sicilië aan het Romeinse gebied toegevoegd

d werd Africa aan het Romeinse gebied toegevoegd

De term populares duidt aan

a een groep mensen die populair is

b Romeinse politici die via de volksvergadering hun politieke doelen wilden bereiken

c het Romeinse volk

d Romeinse politici die via de senaat voor het Romeinse volk gunstige besluiten nastreefden

30 De Bondgenotenoorlog (91-88 v.Chr.) werd uiteindelijk beslecht door

a de volledige overwinning van Rome op de bondgenoten

b de verlening van onafhankelijkheid aan de bondgenoten

c de verlening van het Romeinse burgerrecht aan de bondgenoten

d de afscheiding van de bondgenoten van Rome

31 Het Eerste Driemanschap bestond uit:

a Pompeius, Crassus en Caesar

b Sulla, Pompeius en Crassus

c Pompeius, Antonius en Caesar

d Antonius, Octavianus en Lepidus

 

32 Een latifundium is in de Late Republiek

a een huis van een rijke Romein in de stad

b een landgoed waar met behulp van slaven een veelheid aan agrarische producten werd geproduceerd

c het bedrijf van een gemiddelde boer

d een boerenbedrijf dat slechts produceerde voor de eigen huishouding

138. (p.287-288)

 

 

33 Tot de ordines rekent men

a de senatoren en publicanib de senatoren en ridders

c de ridders en proletariid de senatoren, ridders en proletarii

34 Slaven konden in de Romeinse maatschappij

a nooit worden vrijgelaten

b als vrijgelatene nooit het Romeinse burgerrecht krijgen

c kregen bij vrijlating het Romeinse burgerrecht

d kregen bij vrijlating een opstapje tot het Romeinse burgerrecht, te weten het Latijnse burgerrecht

35 De grootste slavenmarkt in de hellenistische tijd bevond zich

a op Rhodos

b op Delos

c in Alexandrië

d in Rome

36 In de Romeinse comitia tributa werd gestemd

a per tribusb per hoofd

c per centurie

d per curie

37 Euergetisme was een vorm van weldoen

a waarbij alleen de weldoener belang had

b waarbij alleen de polis belang had

c waarbij de armste burgers in een polis niet van profiteerden

d waarbij zowel de weldoener als de (burgers van) de polis belang hadden

 

38 De Romeinse religie kenmerkt zich door

a een grote terughoudendheid ten aanzien van opname van niet-Romeinse goden in het pantheonb een grote openheid van het Romeinse pantheon ten aanzien van allerlei goden en culten van buitenaf

c een uitgesproken afkeer van heilsgoden en extatische culten, en een uitgesproken voorkeur voor functiegoden

d het ontbreken van elke vorm van syncretisme

39 Wat was het effect van de ineenstorting van het Parthenrijk voor de veiligheid van de oostgrens van het Romeinse rijk?

a Het betekent voor Rome een serieuze bedreiging van de kant van Perzië.

b Het betekent voor Rome het einde van een serieuze bedreiging van de kant van Perzië.

c Het betekent dat de oostelijke provincies van het rijk nu een gemakkelijke prooi werden voor de oprukkende islamitische strijdgroepen.

d Rome grijpt de door de ineenstorting van het Parthische rijk geboden kans tot verdere gebiedsuitbreiding in oostelijke richting.

40 Over het verschil tussen keizers en zogenaamde soldatenkeizers:

a Soldatenkeizers zijn keizers die konden rekenen op steun van de soldaten in hun conflicten met generaals en officieren.

b Soldatenkeizers zijn figuren die - zoals later Napoleon - erin geslaagd zijn op te klimmen van de rang van gewoon soldaat tot keizer.

c Soldatenkeizers zijn legeraanvoerders die door regionale legerkorpsen naar voren worden geschoven om de keizerstroon te bezetten.

d Soldatenkeizers zijn senatoren die de legers en speciaal de legerleiding met succes hebben omgekocht met de bedoeling om keizer te worden.

 

41 De eerste echt provinciale keizer kwam uit

a Spanje.

b Gallië.

c Griekenland.

d Noord-Afrika.

42 Het economische effect van de pax Romana kan omschreven worden als

a een hoogconjunctuur resulterend in een algemene welvaartsstijging.

b een verdere verrijking van de rijken in combinatie met een verdere verarming van de armen.

c een verdere verrijking van de rijken, waarbij de armen even arm blijven.

d een merkbare stijging van de produktiviteit per hoofd van de bevolking.

43 Agrarische produktie in de keizertijd (principaat):

a Bij de exploitatie van de grond werd in deze tijd meer en meer gebruik gemaakt van slaven.

b Bij de exploitatie van de grond werd in deze tijd meer en meer gebruik gemaakt van pachters.

c Marktgerichte produktie maakte meer en meer plaats voor zelfvoorzienende bedrijfsvoering.

d Vrijgelaten slaven konden geen grond bezitten.

44 Slaven en vrijgelatenen:

a Slaven kregen bij vrijlating automatisch het Romeinse burgerrecht.

b Vrijgelaten slaven waren ten allen tijde uitgesloten van opname in de rijen der decurionen.

c Slaven kregen bij vrijlating niet automatisch het Romeinse burgerrecht.

d Vrijgelaten slaven waren uitgesloten van functies "in the emperor's service".

 

45 Provinciebestuur:

Een Romeinse provinciegouverneur was altijd verantwoording verschuldigd aan

a de senaat.

b de keizer.

c de senaat of de keizer.

d de senaat en de keizer.

46 . Onderwijs in het Romeinse keizerrijk:

a De rijksoverheid en de stedelijke overheden beschouwden financiering van onderwijs niet als een taak van de overheid.

b Het enorme aantal bewaard gebleven inscripties en privé "kattebelletjes" op tabletten van hout en op papyrus wettigt het vermoeden dat toch zeker de helft van de totale bevolking kon lezen en/of schrijven.

c Voortgezet onderwijs was niet toegankelijk voor meisjes.

d Basisscholen waren altijd privé-instellingen.

 

47 Sport in de keizertijd, gladiatorenspelen:

a In de Griekssprekende provincies van het rijk wilde men niets weten van dit naar Griekse maatstaven barbaarse vermaak.

b Optreden als gladiator was een vorm van dwangarbeid door speciaal daartoe opgeleide slaven en veroordeelde misdadigers.

c Gladiator was een beroep waarvoor sommige mensen uit eigen vrije wil kozen.

d Het aanbieden van een jachtshow met exotische dieren door een plaatselijke rijke magnaat leverde hem enorm veel status en prestige op, omdat hij ontzettend veel geld en energie had moeten investeren on de leeuwen en tijgers en beren etc. levend te vangen en naar de plaats van hun optreden te vervoeren.

48 Wereldbeeld:

Men stelde zich in de wetenschap van de keizertijd het heelal voor als

a een gigantische bol met in het middelpunt de zon; de aarde was bolvormig en draaide om de zon, en de planeten draaiden om de aarde.

b als een gigantische bol met in het middelpunt een platte aarde; de zon en de planeten draaiden om de aarde.

c als een gigantische halve bol, met de aarde - een platte aarde - "dobberend" in het midden van de Oceaan, die het grondvlak vormde van die halve bol; de zon kwam dagelijks op uit de oostelijke Oceaan en ging dagelijks onder in de westelijke Oceaan; 's nachts keerde de zon via de Oceaan en onderlangs de aarde terug van west naar oost.

d als een gigantische bol met in het middelpunt de aarde, die bolvormig was; de planeten en de zon draaiden om de aarde.

49 Christendom

a Christenvervolgingen waren altijd spontane uitbarstingen van volkswoede tegen groeperingen die beschouwd werden als asociale elementen.

b Romeinse keizers volgden tegenover de christenen een beleid van actieve en systematische opsporing en vervolging.

c Sommige christenen begroetten de vervolgingen met instemming, ook als het ging om vervolging van hen zelf.

d Wie christelijk gedoopt was kon zeker zijn van verlossing.

50 . Christendom, 4e eeuw:

a Dat de bisschop van Rome de wereldleider werd van de christenheid, was voor de bisschoppen elders in het rijk een vanzelfsprekende zaak, gezien de positie van Rome als hoofdstad van het rijk.

b De 4e-eeuwse missie-activiteiten van de Kerk buiten de grenzen van het rijk kunnen beschouwd worden als een voortzetting op religieus niveau van de expansie van Rome.

c Het monnikenwezen van de late oudheid moet in de eerste plaats gezien worden als een protestbeweging binnen het christendom.

d Het monnikenwezen van de late oudheid was een logisch uitvloeisel van een meer algemene beweging binnen het christendom.

II: essay vragen:

1: laat zien dat sportbeoefening in de Griekse wereld in sociaal, religieus en ideologisch opzicht een serieuze zaak was

2: Wat was de achtergrond van de hervormingen van Kleisthenes: Was zijn doel een democratisch Athene? Beargumenteer uw antwoord?

3: wel effect had de Atheense democratie op de positie van de vrouw? beargumenteer uw antwoord.

4: Wat waren de ontwikkelingen in de voedselpositie in de stad Rome van de Gracchi tot aan Augustus?

5: Waar was de positie van Augustus op gebaseerd? betrek institutionele, symbolische en machtspolitieke aspekten bij uw antwoord

6: Waarom lieten de Romeinen in de late republiek en vroege keizertijd zoveel slaven vrij? Betekent dit dat het met de slavernij wel meeviel?

Tekst vragen

Kies 1 van de 2 fragmenten en beantwoord alle vragen die op de tekst betrekking hebben.

1: Lijkrede van Perikles

Hieronder vindt u een fragment uit de zgn lijkrede van Perikles, overgeleverd bij de historicus Thucydides. lees dit stuk nauwkeurig en beantwoord de onderstaande vragen (gebruik de tekst bij uw antwoorden):

tekst

Wij hebben een staatsvorm die niet een kopie is van de instellingen van onze naburen. In plaats van anderen na te doen zijn wij juist een voorbeeld voor hen. Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen niet van enkelen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen en de publieke opinie eert eenieder die zich in iets onderscheidt in het openbare leven boven anderen, niet om de klasse waartoe hij behoort, maar om zijn waarde alleen.. Armoede is voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel, hoe gering zijn aanzien ook is.... Rijkdom is voor ons een middel tot werkzaamheid, niet een reden tot bluf.... Wij wijden ons zowel aan onze persoonlijk belangen als aan het belang van de staat en zij die door andere dingen in beslag worden genomen schieten in kennis van de staatszaken niet tekort. Wij verschillen van anderen door de man die zich aan het openbare leven ontrekt niet te beschouwen als een rustig burger, maar als een nutteloos mens.

vragen

1: Wie was Perikles, en wat was zijn positie in Athene?

2: Bij welke gelegenheid werd de lijkrede uitgesproken?

3: Hoe konden arme en rijke burgers de Atheense staat respectievelijk 'tot nut zijn'. Wat vindt Perikles daarvan?

4: Op welke antidemocratische kritiek geeft Perikles hier antwoord?

2: Brief van Plinius

Hieronder vind je een fragement uit een brief van de Romeinse provinciegoeverneur Plinius de Jongere aan Keizer Trajanus. Lees dit stuk nauwkeurig en beantwoord de onderstaande vragen. (gebruik de tekst bij uw antwoorden)

tekst

Heer, in de wet die Pompeius indertijd voor de provincie Bithynia heeft opgesteld woprdt bepaald dat niemand een stedelijke magistratuur kan bekleden of lid zijn van een stadsraad als hij minder dan dertig jaar oud is. In dezelfde wet wordt bepaald dat diegenen die een magistratuur hebben bekleed lid moetren zijn van de stadsraad. Vervolgens kwam het edikt van de vergoddelijkte Augustus, waarin hij toestond lagere magistraturen te bekleden vanaf de twee-en twintigjarige leeftijd. Daarom wordt nu de vraag gesteld of een man van onder de dertig jaar die een magistaatsfunctie heeft bekleed door de verantwoordelijke beambte in de stadsraad kan worden opgenomen, en of, als hij dat kan, mensen die geen magistraatsfunctie hebben bekleed, niet volgens de zelfde constructie vanaf de leeftijd waarop het hun is toegestaan een magistraatsfunctie te bekleden, in de stadsraad kunnen worden opgenomen. er wordt immers beweerd dat dit tot nog toe de praktijk is geweest en dat dat ook noodzakelijk is omdat het veel beter is dat zoons van aanzienlijken in de stadsraad worden opgenomen, dan lieden uit het gewone volk.

1: Wanneer regeerde keizer Trajanus? Hoe was hij aan de macht gekomen?

2: Hoe werden de Romeinse steden over het algemeen bestuurd?

3: Wat was de rol van een Romeins provinciegoeverneur?

4: Welk sociaal proces is hier zichtbaar?