NB. Dit is de oorspronkelijke versie van de tekst. Op verzoek van de redactie van Historia en Informatica heb ik deze tekst ingekort tot ongeveer 500 woorden. Die versie is verschenen op p.4 van het eerste nummer van Historia & Informatica (1994), een gezamenlijke uitgave van het NHDA, de VGI en het IISG.
door: George M. Welling
Hoewel ik zeker weet, dat ik op dezelfde conferentie in Graz geweest ben als Peter Doorn (NHDA Nieuws nummer 6), deed zijn persoonlijke visie mij het tegendeel vermoeden. Ik denk dat dit veroorzaakt wordt doordat we een verschillende invalshoek hebben en misschien doordat we verschillende sessies hebben bezocht.
Op een conferentie van de Association for History and Compu- ting dient het "computing-aspect" natuurlijk centraal te staan. Als historici hebben we allemaal verschillende specialisaties en daaruit voortvloeiende interesses. Ik kan niet warm lopen voor een verhaal over de resultaten van een onderzoek naar vestigingen in centraal Griekenland in de vijftiende en zestiende eeuw. Wat me wel interesseert is de methode die voor dat onderzoek gebruikt is, omdat die misschien een meer generieke bruikbaarheid heeft. Daar- tegenover staat, dat voordrachten over methodiek, waarbij de link naar de hoofddiscipline ver te zoeken is, moeilijk te pruimen zijn.
De huidige voorkeur voor een "narratieve" benadering van de geschiedenis heeft het gevaar in zich, dat men een mooi verhaal niet wil verstoren door methodologische uitweidingen. Het is echter een misvatting, dat je de computer "eenvoudig als hulpmiddel gebruikt", triviale toepassingen als tekstverwerking daargelaten. De vergelijking met statistiek dringt zich op: een beetje rommelen met gemiddelden kan iedereen, maar een gedegen statistische onderbouwing van een betoog vraagt heel wat meer en dient ook verantwoord te worden.
Het is ook een misvatting, dat een methodologisch correct uitge- voerde studie tot onleesbaarheid moet leiden als de auteur ook verslag legt van de gebruikte methodiek: zie bijvoorbeeld O.W.A. Boonstra, De waardij van een vroege opleiding (1). Het is aan de andere kant jammer, dat er andere prima studies zijn, gebaseerd op zeer intensief computergebruik, die hiervan in het geheel geen melding maken, zie bijvoorbeel C.Lesger, Hoorn (2).
Neemt het enthousiasme af? Misschien bij een aantal oude getrouwen die ondertussen uitgekeken zijn op papers, zoals zij die zelf enige jaren geleden produceerden. Maar als de kloof naar de "gewone computergebruikende historicus" overbrugd moet worden, is het dedain ten opzichte van "me and my database"-verhalen niet gepast. AHC-conferenties dienen zeker ook beginnende onderzoekers een platform te bieden om hun ervaringen uit te wisselen. Het is veelal deze groep die het enthousiasme er in weet te houden.
Op zich heb ik geen enkel bezwaar tegen de door Doorn voorge- stelde driedeling, maar binnen zijn tweede serie sessies zou ik toch de nadruk liever zien op de gebruikte methodes. Tafelmanieren zijn op zich niet interessant, het gaat om de maaltijd, tenzij je nu juist een studie maakt van die tafelmanieren. Op een congres over een hulpwetenschap dient niet de hoofdwetenschap centraal te staan. Voor verhalen over historische analyses zijn er thematisch gerichte congressen te over.