Opdrachten bij het ATW-college Principes en Parameters
Opdrachten 1
Stof: Haegeman, H 1, § 1-3 t/m p. 50, § 4, § 6.
Collegestof 10/12
1. Haegeman onderscheidt transitieve, ditransitieve, en intransitieve
werkwoorden (p.41). Geef van elke categorie vijf voorbeelden uit het
Nederlands.
2. Oefening 2 uit Haegeman, H. 1 (p. 74).
3. Niet alleen werkwoorden, maar ook naamwoorden hebben een
argumentstructuur (Haegeman, p. 46). Bekijk de volgende zinnen:
(1) a. Dat is gek
b. Ik word gek
c. Hij lijkt wel gek
d. Het blijft gek
a. Wat is de argumentstructuur van gek?
b. Wat is de argumentstructuur van zijn, worden, lijken, blijven?
c. In sommige talen wordt een zin als (1a) weergegeven als (2):
(2) Dat gek
Vind je dat gek?
4. Deze vraag gaat over relaties tussen knopen in een
boomstructuur. Deze relaties zijn domineren,
onmiddelijk domineren, c-commanderen,
m-commanderen, regeren (zie de definities
op de handout). Bekijk de volgende structuur:
(3) XP
/ \
YP X'
/ \ / \
UP Y' X ZP
/ \ / \
Y WP TP Z'
/\ /\
SP T' Z RP
/
T
Beantwoord de volgende vragen over deze structuur:
a. Noem alle knopen die gedomineerd worden door X'.
b. Noem alle knopen die een maximale projectie onmiddelijk domineren.
c. Noem alle knopen die (strikt) ge-c-commandeerd worden door TP.
d. Noem alle knopen die ge-m-commandeerd worden door Z.
e. Noem alle knopen die geregeerd worden door X.
f. Noem alle knopen die geregeerd worden door YP.
5. Een belangrijk idee uit de moderne syntaxistheorie is dat
woordgroepen altijd asymmetrisch opgebouwd zijn.
Maar een woordgroep die uit twee gecoordineerde NPs bestaat
(jij en ik)lijkt een symmetrische opbouw te hebben.
Bespreek in dit verband de volgende zinnen uit het (gesproken)
Engels:
(4) a. [He and she] will go to the movies
b. [He and her] will go to the movies
c. *[Him and she] will go to the movies
6. Een idioom is een vaste combinatie van een werkwoord en een
argument, waarvan de betekenis niet rechtstreeks uit de
betekenis van het werkwoord en zijn argument af te leiden is:
(5) a. We zagen Jan [ de benen nemen ]
b. We zagen Jan [ het loodje leggen ]
c. We zagen Jan [ eieren voor zijn geld kiezen ]
Beantwoord de volgende vragen:
a. Met wat voor soort argumenten (intern of extern) zijn de idiomen
in (5) gevormd?
b. Leg uit hoe idiomen inzicht kunnen geven in de structuur van de
zin.
c. Geef van de idiomen in (6) aan of the PP tot het idioom behoort of
niet:
(6) a. de draak met iemand steken
b. iets in de groep gooien
c. iemand bij de neus nemen
d. gehakt van iemand maken
e. de hand voor iemand in het vuur steken
d. Wat kun je concluderen over de positie van de PPs in (6) in de
structuur van de zinnen waarin ze voorkomen?
Opdrachten 2
Stof: Haegeman H 2, § 1-3 t/m 3.4
Collegestof 17/12
1. Deze vraag gaat over het omzetten van herschrijfregels in een
boomstructuur en in een structuur met gelabelde haakjes. Bekijk de
volgende herschrijfregels (cf. Haegeman p. 84):
(1) ZP -> Z - YP - XP
(2) YP -> (WP) - (UP) - Y - (XP)
(3) WP -> W
(4) UP -> U - XP
(5) XP -> (QP) - X - (YP)
(6) QP -> Q
a. Zet de regels in (1)-(6) om in een boomstructuur. Verwerk alle
regels, en verwerk de optionele elementen (die tussen haakjes staan)
allemaal minstens één keer. Ga door met het tekenen van
de boom tot je onderaan de boom alleen maar hoofden overhoudt.
b. Het omzetten van herschrijfregels in een haakjesstructuur gaat als
volgt. In een regel als (7)
(7) AP -> BP A
begin je met een open haakje [ waar je het label AP aanhangt, en
eindig je met een gesloten haakje ]:
[AP ]
Tussen het open en het gesloten haakje zet je de elementen die in (7)
rechts van de pijl staan:
[AP BP A ]
Maar pas op. Als er ook een regel is die BP herschrijft, zoals (8),
(8) BP -> B
moet je in plaats van BP weer een open haakje zetten, waar je het
label BP aan hangt:
[AP [BP B ] A ]
Zet nu de regels (1)-(6) om in een haakjesstructuur met
labels. Vergeet daarbij de gesloten haakjes niet. Gebruik opnieuw de
optionele elementen minstens een keer, en ga door tot je van alle
maximale projecties de hoofden in de haakjesstructuur hebt opgenomen.
2. Hoe groot kan de boomstructuur die je in vraag (1a) moest tekenen
maximaal worden? Waar ligt dat aan? Breng je antwoord in verband met
de vraag naar het mogelijke aantal zinnen in een taal.
3. Op p. 88 e.v. bespreekt Haegeman de belangrijke do so-test, die
laat zien dat de structuur van de VP niet plat is. Voor het Nederlands
bestaat een vergelijkbare test, de zgn. en doet dat-test. De regel is
dat je een werkwoordsgroep kunt vervangen door en doet dat
(ook). Datgene wat niet vervangen is door en doet dat valt dus buiten
de werkwoordsgroep (of, beter, buiten een groep binnen de
werkwoordsgroep, door Haegeman aangeduid met V'). Voorbeeld:
(9) Ik dacht dat Jan gisteren in de tuin een boek las en...
(10) a. ...dat Piet dat ook deed
b. ...dat Piet dat in de schuur deed
c. ...dat Piet dat vanmorgen deed
d. ...dat Piet dat vanmorgen in de schuur deed
e. *..dat Piet dat een krant deed
a. Geef aan welke elementen in (9) in de zinnen in (10) vervangen worden
door deed dat.
b. Teken op basis van deze test een structuur van de VP gisteren in de
tuin een boek las.
c. In (9)-(10) is een bijzin gebruikt. Herhaal de en doet dat-test,
uitgaande van de hoofdzin in (11):
(11) Jan las gisteren in de tuin een boek
Levert de test dezelfde resultaten op?
d. Teken op basis van de test een structuur van las gisteren in de tuin
een boek in zin (11). Welk probleem kom je tegen, en hoe lossen we dat
op?
4. Bekijk de volgende zinsdelen uit het Nederlands:
(12) a. de verovering van Bandoeng NP
b. *de van Bandoeng verovering
(13) a. (Jan is) hopeloos verliefd op Marie AP
b. (een) hopeloos op Marie verliefde (Jan)
(14) a. midden in de sloot PP
b. recht de sloot in
(15) a. (dat Jan) dat zei VP
b. *(dat Jan) dat het ging regenen zei
a. Teken naar aanleiding van de zinnen (12a), (13a), en (14a) een X-bar
structuur voor NPs, APs, en PPs, in het Nederlands.
b. Teken nu een X-bar structuur voor APs en PPs in het Nederlands op
basis van de zinnen (13b) en (14b).
c. Wat voor conclusies kun je trekken over de positie van het hoofd in
de X-bar structuur in het Nederlands?
d. (15a) suggereert dat de V in het Nederlands rechts van het
complement staat. Wat voor probleem levert dat op voor zin (15b)?
5. In § 3.3.2 bespreekt Haegeman head movement, verplaatsing
van een werkwoord naar de C-positie.
a. Geef voorbeelden van hetzelfde verschijnsel in het Nederlands.
b. Bekijk de volgende topicalisatie-constructies in het Engels:
(16) a. John I like better than Bill
b. Yesterday all my troubles seemed so far away
Zet deze zinnen om in het Nederlands. Wat is het verschil, en hoe kun
je dat verschil beschrijven?
6. In de regeer- en bindtheorie is de Spec,IP gereserveerd voor het
onderwerp, en de Spec,CP voor vooropgeplaatste woordgroepen,
bijvoorbeeld vraagwoorden:
(17) [IP Jan heeft [VP gewonnen ]]
(18) [CP Wat heeft [IP Jan [VP gewonnen ]]]
a. Laat zien dat in (17)-(18) het element in de Spec-positie en het
element in de hoofdpositie adjacent moeten zijn. Welke generalisatie
kun je nu maken over de Spec-positie en de hoofdpositie?
b. Laat zien dat de structuur in (16) op p. 92 een probleem is voor
deze generalisatie.
c. In § 2.2 voert Haegeman het lidwoord op als de specifier van de
NP. Onderzoek of het lidwoord en het hoofd van de NP adjacent
zijn. Wordt het idee dat het lidwoord de specifier van NP is
ondersteund?
Opdrachten 3
Stof: Haegeman H 3, § 1-2; H 6, § 1.1, § 2 beh. 2.2.1-2.2.3, § 3.1
Collegestof 14/1
1. Doe exercise 1 op p. 194 van Haegeman.
2. Bekijk de volgende zinnen:
(1) a. Caesar destroyed Rome
b. * Caesar's destruction Rome
c. Caesar's destruction of Rome
d. Rome's destruction
a. Wat kun je uit de zinnen in (1) afleiden ten aanzien van het
vermogen van naamwoorden om Casus toe te kennen?
b. Welke strategieen bezit het Engels blijkbaar om ervoor te zorgen dat
het object van een naamwoord toch naamval krijgt?
3. Bekijk de volgende zinnen:
(2) a. Mary killed John
b. John was killed
a. Wat is de argumentstructuur van kill, en wat voor argument is John
bij kill in de twee zinnen in (2)?
b. Beredeneer dat er geen verband bestaat tussen Casustoekenning en
thetarol-toekenning.
c. Probeer Nederlandse zinnen te maken waarin een intern argument van
een werkwoord nominatief Casus krijgt.
d. Probeer ook gevallen te ontdekken waarin het externe argument van
een werkwoord accusatief Casus krijgt.
4. Bestudeer exercise 4 op p. 196, en probeer voor sommige (of alle)
gevallen een oplossing te bedenken op basis van wat je weet over verplaatsing.
5.Bekijk de volgende zinnen:
(3) Jan lijkt de wedstrijd wel te winnen
(4) Jan lijkt wel gek
Beantwoord de volgende vragen:
a. Wat is de argumentstructuur van winnen in zin (3)?
b. Wat is het externe argument van winnen in zin (3)?
c. Wat is de argumentstructuur van lijken in (3)?
d. Wat is het externe argument van lijken in (3)?
e. Geef een representatie van (3)-(4) met sporen waaruit de
argumentstructuur van lijken, winnen en gek blijkt.
6. Welke van de volgende zinnen zou je als raising-zinnen willen
beschouwen?
(5) De regering schijnt nog meer te willen bezuinigen
(6) Het schijnt dat de regering nog meer wil bezuinigen
(7) De dokter weegt de baby
(8) De baby weegt 8 pond
(9) Jan brak zijn klomp
(10) Nou breekt mijn klomp
(11) Jan slaat Frans
(12) Frans wordt door Jan geslagen
Opdrachten 4
Stof: Haegeman H 4 t/m § 1.4.3, § 2-5; H 5, § 1, 4, 5.1-5.4
Collegestof 21/1
Nota bene: in het onderstaande worden de NPs die als corefererend
bedoeld zijn schuin gedrukt.
1. Bekijk de volgende zinnen:
(1) a. * John's mother loves himself
b. John's mother loves him
c. John's father loves himself
d. * John's father loves him
a. Teken boomstructuren voor de zinnen in (1)
b. Laat zien dat c-commanderen een noodzakelijke voorwaarde is voor
binding.
c. Vergelijk de zinnen in (2) met die in (1).
(2) a. * Himself, John's mother doesn't love
b. Him, John's mother doesn't love
c. Himself, John's father doesn't love
d. * Him, John's father doesn't love
Welk probleem leveren deze zinnen op voor de bindingstheorie, en hoe
lossen we dat op?
2. Op p. 208 e.v. bespreekt Haegeman de vraag binnen welk lokaal domein
binding moet plaatsvinden. Zij bespreekt drie lokaliteitscondities
voor binding: de clause-mate condition (p. 208), de conditie dat het
lokale domein voor een anafoor de regeerder van die anafoor bevat
(p. 213), en de conditie dat het lokale domein voor een anafoor een
subject moet bevatten (p. 214). Beantwoord nu, aan de hand van de
voorbeelden in het boek, de volgende vragen:
a. Welke zinnen geven aanleiding tot het opstellen van een clause-mate
condition?
b. Welke zinnen laten zien dat de clause-mate condition niet juist kan
zijn?
c. Welke zinnen laten zien dat het lokale domein voor binding een
element moet bevatten dat de anafoor regeert?
d. Welke zinnen laten zien dat het lokale domein voor binding niet
groter kan zijn dan het kleinste domein dat een subject bevat?
3. Probeer het verschil te verklaren tussen de volgende twee zinnen:
(3) * Poirot believes himself is the best detective
(4) Poirot believes himself to be the best detective
4. Bekijk de definitie van het principe voor de interpretatie van
reflexieven op p. 215. Eronder staan een aantal zinnen (16). Ga voor
elk van deze zinnen na
a. wat het minimale domein is waarbinnen binding plaatsvindt (de
governing category), en
b. welke elementen de omvang van het minimale domein bepalen.
Bijvoorbeeld, in een zin als (5)
(5) * Jan denkt dat Piet zichzelf niet kent
zeg je dat de CP dat Piet zichzelf niet kent het minimale domein voor
zichzelf is (a), omdat deze CP bevat: zichzelf zelf, de regeerder van
zichzelf (nl. kent) en een subject (nl. Piet).
5. Bekijk de volgende zinnen:
(6) a. Jan werkt bij Albert Heijn
b. Jan beweert bij Albert Heijn te werken
c. Jan beweert zoveel
a. Wat is de argumentstructuur van werken en beweren in (6)?
b. Benoem het extern argument en het intern argument van beweren in
(6b).
c. Het theta-criterium staat niet toe dat we Jan in (6b) opvatten als
het extern argument van werken. Waarom niet?
6. De volgende zinnen ondersteunen de hypothese dat de zin tussen
haakjes een leeg subject bevat. Leg dat uit.
(7) Het is schandalig [zichzelf ten koste van het milieu te verrijken]
(8) Het is leuk [om gedriekn gearmd door de stad te lopen]
(9) Het is waanzin [om ongeprepareerd op college te verschijnen]
7. Bekijk de volgende zinnen:
(10) a. * Jan zag Marie elkaar fotograferen
b. Jan zag Marie hun fotograferen
(11) a. Jan stelde Marie voor [PRO elkaar te fotograferen]
b. * Jan stelde Marie voor [PRO hun te fotograferen]
In de zinnen in (10)-(11) is het antecedent uit elkaar getrokken: Jan en
Marie zijn samen bedoeld als antecedent. Beantwoord nu de volgende
vragen:
a. Welk verschil kun je constateren tussen binding en controle wanneer
het antecedent uit elkaar getrokken is?
b. Waarom zorgt het uit elkaar getrokken antecendent in (11a) niet voor
problemen bij de binding van elkaar?
8. We hebben gezien dat binding onderworpen is aan de conditie dat het
antecedent de anafoor c-commandeert. Construeer nu zelf een zin
waaruit blijkt dat hetzelfde geldt voor controle.
Opdrachten 5
Stof: Haegeman H 6, § 1.2; H 7 t/m/ § 3.2, § 6 t/m § 6.3.2
Collegestof 28/1
1. In vraagzinnen wordt een vraagwoord of vraagwoordgroep naar CP
verplaatst.
a. Beredeneer dat zin (1) aantoont dat je ook in CP onderscheid moet
maken tussen een specifier en een hoofd.
(1) Ik vraag me af wanneer of Jan dat gedaan heeft
b. Vergelijk zin (2) met zin (1). Wat kun je concluderen over de
positie van het werkwoord heeft in zin (2)?
(2) Wanneer heeft Jan dat gedaan?
2. Bekijk de volgende zinnen:
(3) Waarom denk je dat Jan dat gedaan heeft?
(4) Waarom vraag je je af wat Jan gedaan heeft?
Beantwoord de volgende vragen:
a. Zin (3) heeft twee betekenissen. Welke?
b. Teken haakjes-representaties van zin (3), met sporen, zodat
duidelijk wordt wat de betekenis van de zin in beide gevallen is
(bekommer je niet om de details, alleen om de plaats van de sporen;
geef wel aan waar de Spec,CP zit).
c. Heeft zin (4) net als zin (3) twee betekenissen? Zo nee, welke
betekenis valt er weg?
d. Verklaar aan de hand van § 6.2 waarom waarom in (4) niet vanuit de
bijzin verplaatst kan zijn.
3. Bekijk de volgende zin:
(5) * [Wie]i kon je [het verhaal dat Piet ti geslagen had] niet geloven?
Blijkbaar kun je geen wh-verplaatsing vanuit een NP doen (zie
p. 404). Bekijk nu de volgende zinnen:
(6) a. * [Die man] kon ik [het verhaal dat Piet geslagen had] niet
geloven
b. * Dat is de man [die] ik [het verhaal dat Piet geslagen had]
niet kon geloven
Probeer de ongrammaticaliteit van de zinnen in (6) op dezelfde manier
te verklaren als die van zin (5). Wat gaat er precies mis in (5)-(6)?
Opdrachten 6
Stof: Syllabus H 1
Collegestof 4/2
Syllabus,
oefeningen 1-7.
Opdrachten 7
Stof: Syllabus H 2
Collegestof 11/2
Syllabus,
oefeningen 8-13.
Opdrachten 8
Stof: Syllabus H 3
Collegestof 18/2
Syllabus,
oefeningen 14-16.
Opdrachten 9
Stof: Syllabus H 4
Syllabus,
oefeningen 17-23.